De prognostische factoren die bij de autismespectrumstoornis het best de individuele uitkomst voorspellen, zijn de aan- of afwezigheid van een bijkomende verstandelijke-ontwikkelingsstoornis en taalproblemen (het functionele taalgebruik op 5-jarige leeftijd is bijvoorbeeld een goede prognostische aanwijzing), naast bijkomende psychische problemen. Epilepsie, als comorbide categorie, hangt samen met een ernstiger verstandelijke beperking en verminderde taalvermogens.
Omgeving Verschillende risicofactoren voor neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, zoals een hogere leeftijd van de ouders, extreme prematuriteit, of foetale blootstelling aan bepaalde (genees)middelen of middelen met teratogene effecten zoals valproïnezuur, kunnen bijdragen aan het risico op een autismespectrumstoornis.
Genetica en fysiologie Schattingen van de mate van erfelijkheid van de autismespectrumstoornis gebaseerd op tweelingonderzoek varieerden in het verleden van 37 tot meer dan 90%. Een recenter cohortonderzoek in vijf landen kwam op een schatting van 80%. Tegenwoordig lijkt maar liefst 15% van de gevallen van de autismespectrumstoornis samen te hangen met een bekende genetische mutatie, met verschillende de novo copy number variants of de-novo-mutaties in specifieke genen die samenhangen met de stoornis in verschillende families. Zelfs als een autismespectrumstoornis samenhangt met een bekende genetische mutatie, is die echter niet volledig penetrant (met andere woorden: niet iedereen met dezelfde genetische afwijking ontwikkelt een autismespectrumstoornis). Het risico lijkt in de meeste gevallen polygenetisch van aard te zijn, waarbij misschien honderden genetische loci relatief kleine bijdragen leveren. Of deze bevindingen voor alle etnische groepen gelijkelijk opgaan, is onduidelijk, gezien de beperkte inclusie van niet-witte mensen in genetische onderzoeken.