Au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis

Autism spectrum disorder

F84.9

CLASSIFICATIECRITERIA

APersisterende deficiënties in de sociale communicatie en sociale interactie in uiteenlopende situaties, zoals actueel of in de voor­ge­schie­de­nis blijkt uit alle drie de volgende kenmerken (de voorbeelden zijn bedoeld als illustratie en geven geen volledig beeld; zie de tekst na de criteria):

1Deficiënties in de sociaal-emotionele wederkerigheid, variërend van bijvoorbeeld op een abnormale manier sociaal contact maken en niet in staat zijn tot een normale ge­spreks­in­ter­ac­tie; het verminderd delen van interesses, emoties of affect; tot een onvermogen sociale interacties te initiëren en te beantwoorden.

2Deficiënties in het non-verbale communicatieve gedrag dat gebruikt wordt voor sociale interactie, variërend van bijvoorbeeld slecht geïntegreerde verbale en non-verbale communicatie; abnormaal gedrag bij oogcontact en lichaamstaal of deficiënties in het begrijpen en gebruiken van gebaren; tot een totaal ontbreken van ge­zichts­uit­druk­kin­gen en non-verbale communicatie.

3Deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties, variërend van bijvoorbeeld problemen met het aanpassen van gedrag aan verschillende sociale omstandigheden; moeite met deelnemen aan fantasiespel of vrienden maken; tot afwezigheid van belangstelling voor leeftijdgenoten.

Het hoofdkenmerk van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis is aanhoudende problemen in de wederkerige sociale communicatie en de sociale interactie in meerdere contexten. Dit symptoom is pervasief en chronisch. Hoe dit zich manifesteert is mede afhankelijk van de leeftijd, het intellectuele niveau en de taalvaardigheid van de betrokkene, maar ook van individuele verschillen in de persoonlijkheid en andere factoren, zoals de be­han­del­ge­schie­de­nis en de huidige ondersteuning. Bij veel mensen met deze stoornis wordt de taal aangetast (bijvoorbeeld de spraak kan afwezig zijn of een vertraagd begin hebben). Er kan zelfs sprake zijn van stoornissen in de communicatie wanneer formele vaardigheden, zoals woordenschat en grammatica, intact zijn. Deficiënties in de sociaal-emotionele wederkerigheid zijn duidelijk zichtbaar, en jonge kinderen met de stoornis vertonen weinig of geen initiatief tot sociale interactie en delen geen emoties. Een vroeg kenmerk is gebrekkig of afwezig oogcontact.

BBeperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten, zoals actueel of in de voor­ge­schie­de­nis blijkt uit minstens twee van de volgende kenmerken:

1Stereotiep(e) of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of gesproken taal (zoals eenvoudige motorische stereotypieën, speelgoed in een rij zetten of voorwerpen ronddraaien; echolalie; idi­o­syn­cra­ti­sche uitdrukkingen).

2Hardnekkig vasthouden aan hetzelfde, inflexibel gehecht zijn aan routines of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag (bijvoorbeeld extreem overstuur bij kleine veranderingen, moeite met overgangen, rigide denkpatronen, rituele wijze van begroeten, de behoefte om steeds dezelfde route te volgen of elke dag hetzelfde te eten).

3Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal intens of gefocust zijn (bijvoorbeeld een sterke gehechtheid aan of preoccupatie met ongebruikelijke voorwerpen, bijzonder specifieke of hardnekkige interesses).

4Hyper- of hy­po­re­ac­ti­vi­teit op zintuiglijke prikkels of ongewone belangstelling voor de zintuiglijke aspecten van de omgeving (bijvoorbeeld duidelijk ongevoelig voor pijn en/of temperatuur, een negatieve reactie op specifieke geluiden of texturen, excessief ruiken aan of aanraken van voorwerpen, visuele fascinatie met lichten of beweging).

Dit criterium vereist dat het kind beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten heeft. Zo kan het kind een voorkeur hebben voor rigide routines en erop aandringen dat dingen steeds op dezelfde manier worden gedaan. Het kind kan een nauwe en intense focus hebben op bepaalde onderwerpen, zoals de treintijden. Het kan ook stereotiep of repetitief gedrag vertonen, zoals fladderen met de handen of knippen met de vingers. Een overmatige vasthoudendheid aan routines en beperkte gedragspatronen kunnen blijken uit weerstand tegen veranderingen of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag, zoals repetitief vragen stellen. De zeer beperkte, gefixeerde interesses zijn vaak abnormaal qua intensiteit en/of focus (bijvoorbeeld een preoccupatie met stofzuigers). Sommige interesses en routines houden verband met een hoge of lage mate van reactiviteit op zintuiglijke prikkels, zoals blijkt uit extreme reacties op specifieke geluiden of texturen, overmatig vaak ruiken aan of aanraken van voorwerpen, een fascinatie voor lampen of draaiende voorwerpen, en soms een opvallende ongevoeligheid voor pijn, hitte of kou.

CDe symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de (maar kunnen soms pas volledig manifest worden wanneer de sociale eisen de begrensde vermogens overstijgen, of kunnen worden gemaskeerd door op latere leeftijd aangeleerde strategieën).

Symptomen beginnen vroeg in het leven en veroorzaken beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke gebieden. Het stadium waarin de beperkingen in het functioneren zichtbaar worden, verschilt per individu en zijn omgeving. De belangrijkste diagnostische kenmerken zijn duidelijk aanwezig in de ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de, maar interventies, com­pen­sa­tie­ge­drag en de mate van ondersteuning kunnen de problemen maskeren totdat ze in latere stadia van de stoornis alsnog zichtbaar worden.

De au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis moet worden ge­dif­fe­ren­ti­eerd van de verstandelijke beperking (verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis) en de globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand, omdat deze laatste stoornissen ook gepaard gaan met com­mu­ni­ca­tie­pro­ble­men. Het onderscheid kan vooral bij jonge kinderen moeilijk te maken zijn. Een vraag die gesteld kan worden is of de communicatie en interactie significant verminderd zijn ten opzichte van het ont­wik­ke­lings­ni­veau van de non-verbale vaardigheden van de betrokkene, in welk geval waarschijnlijk een classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis toegekend kan worden.

Kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis kunnen vroeg in het leven relatief duidelijke problemen vertonen. In de eerste drie tot zes maanden kunnen de ouders merken dat hun kind geen normaal patroon ontwikkelt van lachen of reageren op knuffelen. Het eerste duidelijke teken van abnormaliteit is meestal op het gebied van de taal. Naarmate het kind ouder wordt, boekt het geen vooruitgang bij mijlpalen in de ontwikkeling, zoals leren om woorden te zeggen en zinnen te spreken, en lijkt het afzijdig, teruggetrokken en afstandelijk. In plaats van dat het kind een warme relatie ontwikkelt met de ouders, ontwikkelt het zelfstimulerend gedrag, zoals wiegen met het lichaam of bonken met het hoofd. Uiteindelijk wordt duidelijk dat er iets ernstig mis is. Naarmate deze kinderen geen normale verbale en in­ter­per­soon­lij­ke com­mu­ni­ca­tie­pa­tro­nen ontwikkelen, worden de kenmerken van de stoornis in de loop der tijd beter zichtbaar.

Bij jonge kinderen kan een gebrek aan sociale en communicatieve vaardigheden het leerproces belemmeren, in het bijzonder het leren dat samenhangt met sociale interacties. Thuis kunnen het aandringen op routines en een afkeer van veranderingen, evenals zintuiglijke gevoeligheden, interfereren met het eet- en slaapgedrag, en normale zorg (bijvoorbeeld haren knippen, tandartsbezoek) uiterst moeilijk maken. Bij volwassenen kan de rigiditeit en de moeite die zij hebben met alles wat nieuw is hun zelfstandigheid in de weg staan, zelfs wanneer de betrokkenen zeer intelligent zijn.

DDe symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Symptomen beginnen vroeg in het leven en veroorzaken beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke gebieden. Het stadium waarin de beperkingen in het functioneren zichtbaar worden, verschilt per individu en zijn omgeving. De belangrijkste diagnostische kenmerken zijn duidelijk aanwezig in de ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de, maar interventies, com­pen­sa­tie­ge­drag en de mate van ondersteuning kunnen de problemen maskeren totdat ze in latere stadia van de stoornis alsnog zichtbaar worden.

De au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis moet worden ge­dif­fe­ren­ti­eerd van de verstandelijke beperking (verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis) en de globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand, omdat deze laatste stoornissen ook gepaard gaan met com­mu­ni­ca­tie­pro­ble­men. Het onderscheid kan vooral bij jonge kinderen moeilijk te maken zijn. Een vraag die gesteld kan worden is of de communicatie en interactie significant verminderd zijn ten opzichte van het ont­wik­ke­lings­ni­veau van de non-verbale vaardigheden van de betrokkene, in welk geval waarschijnlijk een classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis toegekend kan worden.

Kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis kunnen vroeg in het leven relatief duidelijke problemen vertonen. In de eerste drie tot zes maanden kunnen de ouders merken dat hun kind geen normaal patroon ontwikkelt van lachen of reageren op knuffelen. Het eerste duidelijke teken van abnormaliteit is meestal op het gebied van de taal. Naarmate het kind ouder wordt, boekt het geen vooruitgang bij mijlpalen in de ontwikkeling, zoals leren om woorden te zeggen en zinnen te spreken, en lijkt het afzijdig, teruggetrokken en afstandelijk. In plaats van dat het kind een warme relatie ontwikkelt met de ouders, ontwikkelt het zelfstimulerend gedrag, zoals wiegen met het lichaam of bonken met het hoofd. Uiteindelijk wordt duidelijk dat er iets ernstig mis is. Naarmate deze kinderen geen normale verbale en in­ter­per­soon­lij­ke com­mu­ni­ca­tie­pa­tro­nen ontwikkelen, worden de kenmerken van de stoornis in de loop der tijd beter zichtbaar.

Bij jonge kinderen kan een gebrek aan sociale en communicatieve vaardigheden het leerproces belemmeren, in het bijzonder het leren dat samenhangt met sociale interacties. Thuis kunnen het aandringen op routines en een afkeer van veranderingen, evenals zintuiglijke gevoeligheden, interfereren met het eet- en slaapgedrag, en normale zorg (bijvoorbeeld haren knippen, tandartsbezoek) uiterst moeilijk maken. Bij volwassenen kan de rigiditeit en de moeite die zij hebben met alles wat nieuw is hun zelfstandigheid in de weg staan, zelfs wanneer de betrokkenen zeer intelligent zijn.

EDe stoornissen kunnen niet beter worden verklaard door een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking) of een globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand. Een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis en de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis komen geregeld samen voor; om de comorbide classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis naast een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis toe te kennen moet de sociale communicatie onder het verwachte algemene ont­wik­ke­lings­ni­veau liggen.

Symptomen beginnen vroeg in het leven en veroorzaken beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke gebieden. Het stadium waarin de beperkingen in het functioneren zichtbaar worden, verschilt per individu en zijn omgeving. De belangrijkste diagnostische kenmerken zijn duidelijk aanwezig in de ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de, maar interventies, com­pen­sa­tie­ge­drag en de mate van ondersteuning kunnen de problemen maskeren totdat ze in latere stadia van de stoornis alsnog zichtbaar worden.

De au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis moet worden ge­dif­fe­ren­ti­eerd van de verstandelijke beperking (verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis) en de globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand, omdat deze laatste stoornissen ook gepaard gaan met com­mu­ni­ca­tie­pro­ble­men. Het onderscheid kan vooral bij jonge kinderen moeilijk te maken zijn. Een vraag die gesteld kan worden is of de communicatie en interactie significant verminderd zijn ten opzichte van het ont­wik­ke­lings­ni­veau van de non-verbale vaardigheden van de betrokkene, in welk geval waarschijnlijk een classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis toegekend kan worden.

Kinderen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis kunnen vroeg in het leven relatief duidelijke problemen vertonen. In de eerste drie tot zes maanden kunnen de ouders merken dat hun kind geen normaal patroon ontwikkelt van lachen of reageren op knuffelen. Het eerste duidelijke teken van abnormaliteit is meestal op het gebied van de taal. Naarmate het kind ouder wordt, boekt het geen vooruitgang bij mijlpalen in de ontwikkeling, zoals leren om woorden te zeggen en zinnen te spreken, en lijkt het afzijdig, teruggetrokken en afstandelijk. In plaats van dat het kind een warme relatie ontwikkelt met de ouders, ontwikkelt het zelfstimulerend gedrag, zoals wiegen met het lichaam of bonken met het hoofd. Uiteindelijk wordt duidelijk dat er iets ernstig mis is. Naarmate deze kinderen geen normale verbale en in­ter­per­soon­lij­ke com­mu­ni­ca­tie­pa­tro­nen ontwikkelen, worden de kenmerken van de stoornis in de loop der tijd beter zichtbaar.

Bij jonge kinderen kan een gebrek aan sociale en communicatieve vaardigheden het leerproces belemmeren, in het bijzonder het leren dat samenhangt met sociale interacties. Thuis kunnen het aandringen op routines en een afkeer van veranderingen, evenals zintuiglijke gevoeligheden, interfereren met het eet- en slaapgedrag, en normale zorg (bijvoorbeeld haren knippen, tandartsbezoek) uiterst moeilijk maken. Bij volwassenen kan de rigiditeit en de moeite die zij hebben met alles wat nieuw is hun zelfstandigheid in de weg staan, zelfs wanneer de betrokkenen zeer intelligent zijn.

NB Mensen aan wie eerder een DSM-IV-classificatie autistische stoornis, stoornis van Asperger of pervasieve ont­wik­ke­lings­stoor­nis niet anderszins omschreven (PDD-NOS) is toegekend, moeten nu de classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis krijgen. Mensen met opvallende tekortkomingen in de sociale communicatie maar van wie de symptomen verder niet aan de criteria voor de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis voldoen, moeten worden onderzocht op de sociale (pragmatische) com­mu­ni­ca­tie­stoor­nis.

Specificeer actuele ernst:

De ernst is gebaseerd op beperkingen in de sociale communicatie en beperkte, repetitieve gedragspatronen (zie tabel 2).

Vereist zeer substantiële ondersteuning

Vereist substantiële ondersteuning

Vereist ondersteuning

Specificeer indien:

Met of zonder bijkomende verstandelijke beperking

Met of zonder bijkomende taalstoornis

Samenhangend met een bekende genetische of somatische aandoening of omgevingsfactor (Vermeld de ermee samenhangende genetische of somatische aandoening.)

Samenhangend met een neurobiologisch ontwikkelings-, psychisch of gedragsprobleem (Vermeld het ermee samenhangende neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ontwikkelings-, psychische of gedragsprobleem.)

Met katatonie (voor de definitie: zie de criteria voor katatonie bij een andere psychische stoornis). Co­de­rings­aan­wij­zing Gebruik de aanvullende code F06.1 katatonie bij au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis om de aanwezigheid van de comorbide katatonie aan te geven.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.