Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis Afwijkingen in de aandacht (hyperfocus of gemakkelijk afgeleid worden) komen veel voor bij patiënten met een autismespectrumstoornis, net als hyperactiviteit. Sommige mensen met ADHD kunnen deficiënties in de sociale communicatie vertonen, zoals anderen in de rede vallen, te hard praten en het niet respecteren van andermans persoonlijke ruimte. Hoewel het lastig kan zijn om ADHD van een autismespectrumstoornis te onderscheiden, zijn de beide aandoeningen van elkaar te differentiëren doordat de ontwikkeling bij ADHD anders verloopt en de beperkte, repetitieve gedragspatronen en ongebruikelijke interesses bij ADHD afwezig zijn. Een comorbide classificatie ADHD moet overwogen worden wanneer de ernst van de problemen met de aandacht of hyperactiviteit groter is dan gewoonlijk wordt gezien bij mensen met een vergelijkbare psychische leeftijd; ADHD is een van de meest voorkomende comorbiditeiten bij de autismespectrumstoornis.
Verstandelijke-ontwikkelingsstoornis (verstandelijke beperking) zonder autismespectrumstoornis Bij heel jonge kinderen kan het lastig zijn om een verstandelijke beperking zonder autismespectrumstoornis te onderscheiden van een autismespectrumstoornis. Mensen met een verstandelijke-ontwikkelingsstoornis die geen taal- of symbolische vaardigheden hebben ontwikkeld, vormen ook een uitdaging voor de differentiële diagnostiek, aangezien repetitief gedrag zich bij deze groep ook vaak voordoet. De classificatie autismespectrumstoornis kan aan iemand met een verstandelijke-ontwikkelingsstoornis worden toegekend als de sociale communicatie en interactie aanzienlijk zijn beperkt vergeleken met het ontwikkelingsniveau van de non-verbale vaardigheden van de betrokkene (bijvoorbeeld fijne motoriek en non-verbale probleemoplossing). De verstandelijke-ontwikkelingsstoornis is echter de juiste classificatie als er geen duidelijke discrepantie bestaat tussen het niveau van de sociaal-communicatieve vaardigheden en andere verstandelijke vaardigheden.
Taalstoornissen en sociale (pragmatische) communicatiestoornis Bij sommige vormen van de taalstoornis kan er sprake zijn van communicatieproblemen en enige secundaire sociale problemen. De specifieke taalstoornis hangt echter gewoonlijk niet samen met een abnormale non-verbale communicatie, noch met de aanwezigheid van beperkt, repetitief gedrag, of van beperkte of repetitieve belangstelling of activiteiten.
Als de betrokkene tekortkomingen in de sociale communicatie en sociale interacties vertoont, maar geen beperkt of repetitief gedrag of beperkte of repetitieve interesses, kan zijn voldaan aan de criteria voor de sociale (pragmatische) communicatiestoornis in plaats van aan die voor de autismespectrumstoornis. De classificatie autismespectrumstoornis krijgt voorrang op die van de sociale (pragmatische) communicatiestoornis wanneer aan de criteria voor de autismespectrumstoornis wordt voldaan, en men dient zorgvuldig naar beperkt, repetitief gedrag in verleden of heden te informeren.
Selectief mutisme Bij selectief mutisme is er geen sprake van een verstoring van de vroege ontwikkeling. Het betreffende kind vertoont in bepaalde situaties en contexten meestal goede communicatievaardigheden. Zelfs in situaties waarin het kind zwijgt, is de sociale wederkerigheid niet verstoord, noch is er sprake van beperkte of repetitieve gedragspatronen.
Stereotiepe-bewegingsstoornis Motorische stereotypieën behoren tot de diagnostische kenmerken van de autismespectrumstoornis, en daarom wordt er geen bijkomende classificatie stereotiepe-bewegingsstoornis toegekend als dergelijk repetitief gedrag beter verklaard kan worden door de aanwezigheid van een autismespectrumstoornis. Als de motorische stereotypieën echter zelfbeschadiging veroorzaken en centraal komen te staan in de behandeling, kunnen beide classificaties van toepassing zijn.
Syndroom van Rett In de regressieve fase van het syndroom van Rett kan sprake zijn van een verstoring van de sociale interactie (meestal tussen het 1ste en 4de levensjaar); een aanzienlijk deel van de betrokken jonge meisjes kan dus een klinisch beeld vertonen dat voldoet aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. Na verloop van tijd verbeteren de sociaal-communicatieve vaardigheden van de meeste mensen met het syndroom van Rett echter, en vormen de autistische kenmerken niet langer een aanleiding voor zorg. Daarom moet de toekenning van de classificatie autismespectrumstoornis alleen overwogen worden als aan alle criteria is voldaan.
Klachten samenhangend met angststoornissen De overlap tussen angstklachten en de belangrijkste criteria van de autismespectrumstoornis maakt het classificeren van angstklachten bij de autismespectrumstoornis niet eenvoudig. Sociale teruggetrokkenheid en repetitieve handelingen zijn belangrijke kenmerken van de autismespectrumstoornis, maar kunnen ook een uiting zijn van angst. Angststoornissen die het meest bij een autismespectrumstoornis voorkomen zijn de specifieke fobie (tot 30% van de gevallen) en sociale angst en agorafobie (in wel 17% van de gevallen).
Obsessieve-compulsieve stoornis Repetitieve (dwang)handelingen staan zowel bij de obsessieve-compulsieve stoornis als bij de autismespectrumstoornis in de classificatiecriteria vermeld. Bij beide aandoeningen worden de repetitieve handelingen als niet-passend of vreemd beschouwd. Bij een obsessieve-compulsieve stoornis treden vaak intrusieve gedachten op die met besmetting, ordening of seksuele en religieuze thema’s te maken hebben. De herhaalde dwanghandelingen worden in reactie op deze intrusieve gedachten uitgevoerd, in een poging om de angst te verminderen. Bij de autismespectrumstoornis bestaan de repetitieve handelingen doorgaans uit stereotiep motorisch gedrag, zoals fladderen met de handen, heen en weer schudden van de vingers of complexer gedrag, zoals hardnekkig vasthouden aan routines of voorwerpen op volgorde zetten. Anders dan bij de obsessievecompulsieve stoornis worden de repetitieve handelingen bij de autismespectrumstoornis doorgaans als plezierig en bekrachtigend ervaren.
Schizofrenie Schizofrenie met een begin in de kindertijd ontwikkelt zich meestal na een periode van een normale of nagenoeg normale ontwikkeling. Er zijn gevallen bekend van een prodromale toestand waarin sociale beperkingen en abnormale interesses en overtuigingen voorkomen die gemakkelijk verward kunnen worden met de sociale beperkingen die bij de autismespectrumstoornis worden gezien. Hallucinaties en wanen, die tot de criteria voor schizofrenie behoren, zijn geen kenmerken van de autismespectrumstoornis. Clinici moeten echter rekening houden met de mogelijkheid dat mensen met een autismespectrumstoornis concretistische antwoorden kunnen geven op vragen over de centrale kenmerken van schizofrenie (bijvoorbeeld: ‘Hoort u weleens stemmen als er niemand in de buurt is?’ ‘Ja, op de radio.’). De autismespectrumstoornis en schizofrenie kunnen gelijktijdig optreden en wanneer aan de criteria wordt voldaan, moeten beide classificaties worden toegekend.
Persoonlijkheidsstoornissen Bij volwassenen zonder verstandelijke-ontwikkelingsstoornis of aanzienlijke deficiënties op het gebied van taal kan het gedrag dat samenhangt met de autismespectrumstoornis door anderen als symptomen van een narcistische-, schizotypische- of schizoïde-persoonlijkheidsstoornis worden opgevat. Vooral met de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis kan de autismespectrumstoornis symptomen gemeenschappelijk hebben: ongewone preoccupaties en zintuiglijke ervaringen, een merkwaardige manier van denken en spreken, een ingeperkt affect en sociale angst, weinig hechte vriendschappen en vreemd of excentriek gedrag. Vooral het verloop van de vroege ontwikkeling bij de autismespectrumstoornis (afwezigheid van fantasiespel, beperkte/repetitieve gedragspatronen, sensorische gevoeligheid) kan ondersteunend zijn bij de differentiatie tussen de autismespectrumstoornis en persoonlijkheidsstoornissen.