De specificaties van ernst (zie tabel 2) kunnen worden gebruikt om een beknopte beschrijving te geven van het niveau van de actuele symptomen (dat mogelijk lager is dan niveau 1), waarbij aangetekend moet worden dat de ernst per situatie en door de tijd heen kan fluctueren. De ernst van de problemen met de sociale communicatie en het beperkte, repetitieve gedrag moeten apart gespecificeerd worden. De descriptieve ernst­ca­te­go­rie­ën mogen niet gebruikt worden om te bepalen of de zorg voor de betrokkene in aanmerking komt voor financiering. Juist mensen die over het geheel genomen betere vaardigheden hebben, kunnen andere of zelfs grotere psychosociale moeilijkheden ervaren.

Wat betreft de specificatie ‘met of zonder bijkomende verstandelijke beperking’ is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het (vaak onregelmatige) intellectuele profiel van een kind of volwassene met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis, om de diagnostische kenmerken te kunnen interpreteren. Het is noodzakelijk om een afzonderlijk oordeel te vormen over de verbale en non-verbale vaardigheden (bijvoorbeeld door geen aan een tijdsduur gebonden non-verbale tests te gebruiken om de potentieel sterke kanten van mensen met een beperkt taalvermogen te bepalen).

Om de specificatie ‘met of zonder bijkomende taalstoornis’ te kunnen gebruiken, moet het actuele niveau van het verbale functioneren worden beoordeeld en beschreven. Voorbeelden van de specifieke beschrijvingen van ‘met bijkomende taalstoornis’ zijn ‘onbegrijpelijk spreken (non-verbaal)’, ‘alleen losse woorden’ of ‘driewoordzinnen’. Het taalniveau bij mensen ‘zonder bijkomende taalstoornis’ kan verder beschreven worden aan de hand van ‘gebruikt complete zinnen’ of ‘spreekt vloeiend’. Aangezien de ontwikkeling van het receptieve taalvermogen bij de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis kan achterlopen op die van het expressieve taalvermogen, moeten het receptieve en het expressieve taalvermogen apart beoordeeld worden.

De specificatie ‘samenhangend met een bekende genetische of somatische aandoening of omgevingsfactor’ kan gebruikt worden als er bij de betrokkene sprake is van een bekende genetische aandoening (bijvoorbeeld het syndroom van Rett, het fragiele-X-syndroom, het downsyndroom), een bekende somatische aandoening (bijvoorbeeld epilepsie) of een geschiedenis van blootstelling in de baarmoeder aan een bekend teratogeen of een infectie (bijvoorbeeld het foetaal val­pro­aat­syn­droom, het foetaal alcoholsyndroom of foetale rubella). Deze specificatie mag niet worden gezien als causaal verklarend voor een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis. Van een aandoening mag worden vermeld dat die samenhangt met de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis wanneer die als potentieel klinisch relevant wordt beschouwd en relevant kan zijn voor de zorg, maar niet om de aandoening als oorzaak aan te wijzen. Voorbeelden hiervoor zijn een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis samenhangend met een unieke genetische copy number variant, die, ook als de specifieke afwijking de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis niet direct veroorzaakt en er niet eerder een verband tussen beide is aangetoond, toch klinisch relevant kan zijn; en de ziekte van Crohn, die de ge­drags­symp­to­men zou kunnen verergeren.

De specificatie ‘samenhangend met een neurobiologisch ontwikkelings-, psychisch of gedragsprobleem’ kan worden gebruikt om aan te geven dat er in het algehele functioneren problemen optreden (zoals prikkelbaarheid, zelf­be­scha­di­gend gedrag of regressie) die bij de behandeling op de voorgrond staan. Bijkomende neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen, psychische stoornissen of ge­drags­stoor­nis­sen moeten eveneens als aparte classificaties worden vermeld (bijvoorbeeld aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis; co­ör­di­na­tie­ont­wik­ke­lings­stoor­nis; nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en andere stoornissen in de im­puls­be­heer­sing of het gedrag; angst­stoor­nis­sen, depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen; tics of de stoornis van Gilles de la Tourette; voe­dings­stoor­nis­sen, stoornissen in de zindelijkheid of slaap­stoor­nis­sen).

Katatonie kan als comorbide stoornis naast een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis voorkomen. Naast de klassieke symptomen poseren, negativisme (verzet tegen of geen reactie op instructies of externe stimuli), mutisme en stupor, kan in het complex van symptomen van katatonie bij een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis ook sprake zijn van een toename of verergering van stereotypieën en zelf­be­scha­di­gend gedrag.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.