Bij de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis moet men ook rekening houden met de beginleeftijd en het beginpatroon. De ge­drags­ken­mer­ken van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis worden voor het eerst zichtbaar in de vroege kindertijd, waarbij sommige kinderen in het 1ste levensjaar een gebrek aan interesse voor sociale interactie vertonen. De symptomen worden meestal herkend in het 2de levensjaar (12–24 maanden), maar kunnen ook gedurende de eerste 12 maanden waargenomen worden als de ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand groot is, of later dan 24 maanden als de symptomen subtieler zijn. De beschrijving van het beginpatroon kan informatie bevatten over vroege ont­wik­ke­lings­ach­ter­stan­den en een achteruitgang in sociaal gedrag en taal­vaar­dig­he­den. In het geval van achteruitgang vertellen de ouders of verzorgers vaak bij de anamnese dat het sociale gedrag en de taalvaardigheid geleidelijk of relatief snel zijn afgenomen. Dat gebeurt meestal als het kind tussen 12 en 24 maanden oud is. In prospectieve onderzoeken is aangetoond dat de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis in de meeste gevallen manifest wordt door een achteruitgang van het sociale en com­mu­ni­ca­tie­ge­drag in de eerste twee levensjaren. Een dergelijke achteruitgang in het functioneren komt bij andere neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen zelden voor en kan een nuttige indicator zijn voor de aanwezigheid van een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis. In zeldzame gevallen is er sprake van ont­wik­ke­lings­re­gres­sie, die na minstens twee jaar van normale ontwikkeling optreedt (wat voorheen de des­in­te­gra­tie­stoor­nis van de kinderleeftijd werd genoemd); dit is nog on­ge­brui­ke­lij­ker en vormt een reden voor uitgebreid medisch onderzoek (bijvoorbeeld naar het CSWS-syndroom en het syndroom van Landau-Kleffner). Bij deze en­ce­fa­lo­pa­thi­sche aandoeningen is ook sprake van een achteruitgang in vaardigheden op andere gebieden dan de sociale communicatie, bijvoorbeeld problemen met de zelfverzorging, de zindelijkheid of motorische vaardigheden (zie ook de alinea over het syndroom van Rett in de subparagraaf ‘Differentiële diagnostiek’ bij deze stoornis).

De eerste symptomen van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis betreffen dikwijls een vertraagde taal­ont­wik­ke­ling, die vaak gepaard gaat met een gebrek aan sociale belangstelling of met ongebruikelijke sociale interacties (bijvoorbeeld anderen bij de hand voorttrekken zonder te pogen hen aan te kijken), vreemd speelgedrag (bijvoorbeeld speelgoed meesjouwen maar er nooit mee spelen), en ongebruikelijke com­mu­ni­ca­tie­pa­tro­nen (bijvoorbeeld wel het alfabet kennen maar niet op de eigen naam reageren). Er kan een vermoeden op doofheid bestaan, maar die wordt meestal uitgesloten. Gedurende het 2de levensjaar worden vreemd en repetitief gedrag en de afwezigheid van normaal speelgedrag duidelijker merkbaar. Aangezien zich normaal ontwikkelende jonge kinderen sterke voorkeuren kunnen hebben en plezier beleven aan herhaling (bijvoorbeeld steeds hetzelfde willen eten, bij herhaling hetzelfde filmpje willen zien), kan het bij kinderen in de voorschoolse leeftijd lastig zijn om beperkt en repetitief gedrag te onderscheiden dat op een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis wijst. Het klinische onderscheid is gebaseerd op het soort, de frequentie en de intensiteit van het gedrag (bijvoorbeeld een kind dat elke dag urenlang bezig is met het in rijtjes opstellen van speelgoed en heel overstuur raakt als een van de speelgoedjes verplaatst wordt).

De au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis is geen degeneratieve stoornis, en meestal gaat het leren en compenseren gedurende het hele leven door. De symptomen zijn vaak het meest uitgesproken in de vroege kindertijd en tijdens de eerste schooljaren, waarbij er meestal op latere leeftijd op sommige gebieden ontwikkeling zichtbaar is (bijvoorbeeld een toegenomen belangstelling voor sociale interactie). Bij een klein deel van de patiënten is er gedurende de adolescentie sprake van een ge­drags­ver­slech­te­ring, terwijl de meeste vooruitgaan. Voorheen leefde en werkte slechts een minderheid van de volwassenen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis zelfstandig, maar aangezien de classificatie vaker wordt toegekend bij mensen met superieure taal- en verstandelijke vermogens, zijn meer mensen erin geslaagd een niche te vinden die bij hun specifieke interesses en vaardigheden past, waardoor zij een volwaardig inkomen uit werk krijgen. Toegang tot voorzieningen voor ar­beid­stoe­lei­ding en ar­beids­be­ge­lei­ding verbetert de kans op werk bij jongeren met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis in de over­gangs­leef­tijd aanzienlijk. In het algemeen zijn degenen met minder (ernstige) tekortkomingen beter in staat om zelfstandig te functioneren. Zelfs deze patiënten kunnen echter sociaal naïef en kwetsbaar blijven, ervaren zonder ondersteuning moeilijkheden met het organiseren van praktische zaken, en zijn vatbaar voor angst en depressiviteit. Veel volwassenen vermelden dat ze compenserende strategieën en co­ping­me­cha­nis­men gebruiken om in het openbaar hun problemen te maskeren, maar lijden onder de stress en druk om een sociaal aanvaardbare schijn op te houden. Er is betrekkelijk weinig bekend over au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis­sen op hoge leeftijd, maar in de literatuur is wel informatie te vinden over verhoogde percentages van comorbide somatische aandoeningen.

Sommige mensen melden zich voor het eerst voor een onderzoek als ze volwassen zijn, misschien daartoe aangezet doordat een kind in de familie de diagnose au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis heeft gekregen, of doordat de relaties op het werk of thuis problematisch zijn geworden. Het kan in zo’n geval lastig zijn om een gedetailleerd overzicht te krijgen van de ont­wik­ke­lings­ge­schie­de­nis en het is belangrijk om zelf­ge­rap­por­teer­de problemen mee te wegen. Als uit klinische observatie blijkt dat aan de criteria is voldaan, kan de classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis worden toegekend, vooral wanneer uit de voor­ge­schie­de­nis blijkt dat de sociale en com­mu­ni­ca­tie­vaar­dig­he­den in de kindertijd zwak waren. Zo ligt het toekennen van de classificatie au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis aanzienlijk minder voor de hand bij een overtuigende vermelding (door ouders of een ander familielid) dat de patiënt gedurende de kindertijd gewone wederkerige vriendschappen wist aan te knopen en te onderhouden, en tevens goede non-verbale com­mu­ni­ca­tie­vaar­dig­he­den vertoonde. Als er geen of geen eenduidige informatie over de ontwikkeling is, hoeft dat toekenning echter niet uit te sluiten.

De manifestaties van sociale en communicatieve beperkingen en het beperkte, repetitieve gedrag waardoor de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis wordt gekenmerkt, blijken duidelijk in de kindertijd. Op latere leeftijd kunnen deze problemen in sommige situaties gemaskeerd worden door interventies of compenserend gedrag, en door ondersteuning. De symptomen blijven echter voldoende ernstig om beperkingen te veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.