Cultural Formulation Interview
Het Cultural Formulation Interview (CFI) bestaat uit protocollen die een clinicus kan gebruiken om tijdens een intake in de ggz informatie te verkrijgen over de manier waarop cultuur doorwerkt op essentiële aspecten van iemands klinische beeld en op de hulpverlening die hij of zij ontvangt. Het CFI bestaat uit drie delen: (1) het kern-CFI: een set van zestien vragen die de clinicus kan gebruiken om een eerste beoordeling te krijgen van een betrokkene; (2) een informantversie van het kern-CFI om aanvullende informatie te vergaren; en (3) een set van aanvullende modules om de beoordeling waar nodig uit te breiden. In het CFI verwijst ‘cultuur’ naar:
De processen waarmee mensen betekenis geven aan hun ervaringen, gebaseerd op de waarden, voorkeuren, kennis en gewoonten van de verschillende sociale groepen (zoals etnische, religieuze, beroeps- en veteranengroepen) en de gemeenschappen waarvan ze deel uitmaken.
Aspecten van iemands achtergrond, ontwikkelingservaringen en huidige sociale context en positie die zijn of haar zienswijze beïnvloeden, zoals leeftijd, geslacht/gender, sociale klasse, geografische herkomst, migratieachtergrond, taal, geloof, seksuele geaardheid, beperking, en etnische of geracialiseerde achtergrond.
De invloed van familie, vrienden en anderen in de omgeving (vooral het sociale netwerk) op iemands ziektebeleving.
De culturele achtergrond van zorgverleners, en de waarden en aannames ingebed in de organisatie en praktijk van gezondheidszorgsystemen en zorginstellingen die van invloed kunnen zijn op de ervaringen van patiënten binnen de klinische setting.
Bij culturele processen is er een wisselwerking tussen mensen en hun lokale en bredere sociale context. In een culturele beoordeling worden dus de processen bekeken die zich zowel binnen in de betrokkene als in diens sociale wereld afspelen, met evenveel aandacht voor de context als voor de persoon. Het CFI is een kort, semigestructureerd interview waarmee op een systematische manier de culturele factoren vastgesteld kunnen worden die relevant zijn voor de zorg voor een persoon. Het CFI richt zich vooral op iemands persoonlijke ervaring en op de sociale context van het klinische probleem, de klachten of de zorgen. Het CFI gaat in de culturele beoordeling uit van een persoonsgerichte benadering om informatie
naar boven te krijgen van een individu over zijn of haar eigen inzichten en die van anderen in zijn of haar sociale netwerk. Deze benadering is gericht op het vermijden van stereotypen, in die zin dat ieders eigen individuele culturele kennissysteem van invloed is op hoe de ziektebeleving geïnterpreteerd wordt en hoe hulp wordt gezocht. Omdat het bij het CFI om iemands persoonlijke meningen gaat, zijn er geen goede of foute antwoorden op deze vragen.
Het kern-CFI (en de informantversie) is opgemaakt in twee tekstkolommen. In de linkerkolom staan de instructies voor het gebruik van het CFI en worden de doelen van ieder domein van de vragenlijst beschreven. De vragen in de rechterkolom geven een idee van hoe deze domeinen bevraagd kunnen worden, maar deze hoeven zeker niet de enige vragen te zijn. Soms zijn vervolgvragen nodig om iemands antwoorden helder te krijgen. Zo nodig kunnen vragen ook anders worden geformuleerd. Het CFI is slechts bedoeld als richtlijn om iemands cultuur te analyseren, en dient flexibel gebruikt te worden om het verloop van het vraaggesprek en het contact met de betrokkene zo goed en natuurlijk mogelijk te houden.
Het CFI kan het best gebruikt worden in samenhang met demografische gegevens die vóór het interview zijn verkregen: dan kunnen de CFI-vragen afgestemd worden op de persoonlijke achtergrond en huidige situatie van de te interviewen persoon. Welke demografische kenmerken met het CFI precies bevraagd moeten worden, varieert per individu en setting. Bij een uitvoerige analyse kan gevraagd worden naar geboorteplaats, leeftijd, geslacht, etniciteit, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, opleiding, talenkennis, seksuele geaardheid, religieuze of geestelijke gezindheid, beroep, werk, inkomen en migratiegeschiedenis.
Het CFI kan in alle settings gebruikt worden bij de intake van een patiënt, ongeacht de leeftijd of de culturele achtergrond van de betrokkene of de clinicus. Cliënten en clinici die dezelfde culturele achtergrond lijken te hebben, kunnen toch onderling verschillen op een manier die van invloed is op de hulpverlening. Het instrument kan in zijn geheel gebruikt worden, maar onderdelen ervan kunnen naar behoefte ook verwerkt worden in een klinische evaluatie. Het CFI kan in de klinische praktijk vooral nuttig zijn wanneer een of meer van de volgende kwesties spelen:
Problemen bij diagnosebepaling vanwege significante verschillen in culturele, religieuze, of sociaaleconomische achtergrond tussen clinicus en cliënt.
Onzekerheid bij de vraag of specifieke cultureel bepaalde symptomen en de classificatiecriteria
bij elkaar horen.
Problemen bij het beoordelen van de ernst van de stoornis of de beperkingen.
Uiteenlopende opvattingen over symptomen of verwachtingen van de zorg op basis van eerdere ervaringen met andere cultureel bepaalde geneeswijzen en gezondheidszorgstelsels.
Verschil van mening tussen de betrokkene en de clinicus over het verloop van de zorg.
Potentieel wantrouwen ten opzichte van reguliere diensten en instellingen door mensen met een collectieve geschiedenis van psychotrauma en onderdrukking.
Beperkte betrokkenheid en therapietrouw van de betrokkene tijdens de behandeling.
In het kern-CFI staan vier analysedomeinen centraal: culturele definitie van het probleem (vragen 1–3); culturele perceptie van de oorzaak, context en steun (vragen 4–10); culturele factoren betreffende coping en eerder hulpzoekgedrag (vragen 11–13); en culturele factoren betreffende huidig hulpzoekgedrag (vragen 14–16). Zowel de persoonlijke manier waarop het CFI wordt afgenomen als de informatie die dit oplevert is erop gericht de culturele validiteit van de diagnosebepaling te vergroten, het maken van behandelplannen te vergemakkelijken en de betrokkenheid en tevredenheid van de betrokkene te vergroten. Om deze doelen te bereiken, moet de clinicus de informatie uit het CFI integreren met al het andere beschikbare klinische materiaal om zo tot een uitgebreide klinische en contextuele beoordeling te komen. De informantversie van het CFI kan gebruikt worden om van gezinsleden of informele zorgverleners aanvullende informatie te verkrijgen over de CFI-domeinen.
Er zijn aanvullende modules ontwikkeld die verder ingaan op alle domeinen in het kern-CFI en die clinici die deze domeinen verder willen uitdiepen, op weg helpen. Er zijn ook aanvullende modules ontwikkeld voor specifieke bevolkingsgroepen, zoals kinderen en adolescenten, ouderen, mantelzorgers, en migranten en vluchtelingen. Naar deze aanvullende modules wordt in het kern-CFI verwezen onder de betreffende kopjes.
Met dank aan Hans Rohlof, Rob van Dijk en Simon Groen voor de vertaling van het CFI.
Nederlandse vertaling
Het CFI is in het Nederlands vertaald door Hans Rohlof, psychiater, Rob van Dijk, medisch antropoloog, en Simon Groen, cultureel antropoloog. De aanvullende modules zijn vertaald door Mario Braakman, cultureel psychiater en medisch antropoloog, Huub Beijers, medisch antropoloog en sociaal psycholoog, Rob van Dijk, medisch antropoloog, Simon Groen, cultureel antropoloog, Jeroen Oomen, cultureel psychiater en Hans Rohlof, cultureel psychiater.
Download het Cultural Formulation Interview
Cultural Formulation Interview (CFI) — Informantversie
Met de informantversie van het CFI kan de clinicus aanvullende informatie verkrijgen van een informant die op de hoogte is van de klinische problemen en levensomstandigheden van de betrokkene. Deze versie kan gebruikt worden om de informatie die is verkregen uit het kern-CFI verder aan te vullen, maar kan ook in plaats van het kern-CFI gebruikt worden wanneer iemand niet in staat is om informatie te verschaffen (zoals bij kinderen of pubers, mensen met een floride psychose, of mensen met een cognitieve beperking).
Download de informantversie van het Cultural Formulation Interview
Aanvullende modules
Bij het Cultural Formulation Interview zijn 12 aanvullende modules beschikbaar. Deze modules zijn een aanvulling op het CFI-basisinterview en kunnen behandelaren helpen om een meer omvattende culturele beoordeling uit te voeren.
De eerste acht aanvullende modules gaan dieper in op de domeinen van het CFI basisinterview. De daaropvolgende drie modules richten zich op patiëntengroepen met bijzondere zorgbehoeften: schoolgaande kinderen en adolescenten, ouderen, en migranten en vluchtelingen. De laatste module onderzoekt de ervaringen en opvattingen van personen die mantelzorg verlenen en is bedoeld om de aard en culturele context van de mantelzorg te verhelderen, alsook hoe dit van invloed is op de sociale steun in de directe omgeving van de patiënt.
Download de aanvullende modules bij het Cultural Formulation Interview
Meer informatie over het CFI vind je op de website van de American Psychiatric Association.