Bij veel mensen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis is ook sprake van een verstandelijke beperking en/of een taalstoornis (bijvoorbeeld later leren praten, het taalbegrip loopt achter op de taalproductie). Zelfs degenen met een gemiddelde of hoge intelligentie vertonen een onregelmatig profiel van vaardigheden. Er bestaat vaak een grote kloof tussen het verstandelijke vermogen en het aan­pas­sings­ver­mo­gen. Vaak hebben mensen met autisme deficiënties op het gebied van theory of mind (de wereld niet goed vanuit het perspectief van de ander kunnen zien), maar dit is niet bij iedereen het geval. Ook deficiënties in de executieve functies komen vaak voor maar zijn niet specifiek, evenals moeite met de centrale coherentie (dat wil zeggen: de samenhang of het ‘hele plaatje’ niet goed kunnen zien en dus te veel op één detail inzoomen). Vaak heeft iemand motorische beperkingen, waaronder een vreemde manier van lopen, onhandigheid en andere abnormale motorische kenmerken (bijvoorbeeld op de tenen lopen). Zelf­be­scha­di­ging (bijvoorbeeld met het hoofd tegen de muur bonken, in de polsen bijten) kan voorkomen. Ontwrichtend en/of uitdagend gedrag komt bij kinderen en adolescenten met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis vaker voor dan bij andere stoornissen, inclusief de verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis. Sommige mensen ontwikkelen een katatone psychomotoriek (vertraging en ‘bevriezen’ tijdens de handeling), maar meestal niet in een mate die gezien wordt bij een echte katatone episode. Het is echter mogelijk dat mensen met een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis een sterke achteruitgang doormaken in de motorische symptomen en een volledige katatone episode doormaken, met symptomen als mutisme, katalepsie, grimasseren en flexibilitas cerea (wasachtige buigzaamheid). Het risico op een comorbide katatonie lijkt het grootst gedurende de adolescentie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.