De kenmerkende symptomen van OCS zijn de aanwezigheid van obsessies en compulsies (criterium A). Obsessies zijn repetitieve en aanhoudende dwanggedachten (bijvoorbeeld over besmetting), dwangvoorstellingen (zoals gewelddadige of afgrijselijke taferelen) of dwangneigingen (bijvoorbeeld om iemand neer te steken). Het is belangrijk op te merken dat obsessies niet plezierig zijn of als vrijwillig worden beleefd: zij zijn intrusief en ongewild en veroorzaken bij de meeste betrokkenen opvallende lijdensdruk of angst. De betrokkene probeert deze obsessies te negeren of te onderdrukken (bijvoorbeeld door de aanleiding voor die gedachten uit de weg te gaan of door gedachteonderdrukking) of ze door een andere gedachte of handeling te neutraliseren (bijvoorbeeld door een dwanghandeling uit te voeren). Compulsies (of rituelen) bestaan uit repetitieve dwanghandelingen (zoals wassen of controleren) of dwangmatige psychische activiteiten (zoals tellen, in gedachten woorden herhalen) waartoe de betrokkene zich gedwongen voelt in reactie op een obsessie of volgens regels die strikt moeten worden nageleefd. De meeste mensen met OCS hebben zowel obsessies als compulsies. Obsessies en compulsies hebben doorgaans een overkoepelend thema (bijvoorbeeld: gedachten over besmetting samenhangend met wasrituelen, of gedachten aan mogelijke schade samenhangend met herhaalde controle). Betrokkenen melden vaak dat ze dwanghandelingen uitvoeren om de lijdensdruk die door de obsessies wordt veroorzaakt te verminderen, of om te voorkomen dat een gevreesde gebeurtenis (zoals ziek worden) plaatsvindt. De compulsies houden echter niet op een reële manier met de gevreesde gebeurtenis verband (zoals het symmetrisch rangschikken van voorwerpen om te voorkomen dat een dierbare iets naars overkomt) of ze zijn duidelijk overmatig (zoals dagelijks urenlang douchen). De compulsies worden niet uitgevoerd omdat ze plezierig zijn, hoewel mensen wel kunnen ervaren dat hun angst of lijdensdruk daardoor tijdelijk afneemt.
De specifieke inhoud van de obsessies en compulsies varieert per persoon. Er zijn echter wel bepaalde thema’s of dimensies te onderscheiden, zoals schoonmaken (obsessies over besmetting en dwangmatig schoonmaken); symmetrie (obsessies over symmetrie en herhaling, dwangmatig rangschikken en tellen); verboden of ongepaste gedachten (zoals agressieve, seksuele of religieuze obsessies en bijbehorende compulsies); en onheil (zoals de vrees dat de betrokkene of anderen iets ergs zal overkomen, en dwangmatig controleren). Sommige mensen hebben ook moeite met het weggooien of verzamelen van objecten als gevolg van veelvoorkomende obsessies en compulsies (bijvoorbeeld angst om anderen te schaden); dergelijke compulsies moeten worden onderscheiden van het primaire verzamelgedrag dat wordt gezien bij de verzamelstoornis, die verderop in dit hoofdstuk wordt besproken. Deze thema’s doen zich in verschillende culturen voor en zijn bij volwassenen die aan deze stoornis lijden relatief consequent aanwezig, en hangen mogelijk samen met verschillende neurale substraten. Wat belangrijk is, is dat betrokkenen vaak symptomen in meer dan één dimensie ervaren. Volgens criterium B dienen de obsessies en compulsies veel tijd in beslag te nemen (meer dan een uur per dag) of significante lijdensdruk of beperkingen te veroorzaken om de classificatie OCS te mogen toekennen. Dit criterium helpt om de stoornis te onderscheiden van de intrusieve gedachten die in de algemene bevolking vaak voorkomen, of van het hier eveneens veelvoorkomende repetitieve gedrag (zoals nogmaals controleren of een deur echt wel op slot zit). Mensen met OCS hebben obsessies en compulsies in verschillende frequenties en in een verschillende mate van ernst (sommigen hebben alleen klachten met lichte tot matige ernst, en zijn één tot drie uur per dag met obsessies of compulsies bezig, terwijl anderen bijna voortdurend intrusieve gedachten of compulsies ervaren, waardoor zij soms niet meer kunnen functioneren).