Mensen met een obsessieve-compulsieve stoornis hebben een wisselende mate van realiteitsbesef over de juistheid van de opvattingen die ten grondslag liggen aan hun obsessieve-compulsieve symptomen. Veel mensen hebben een goed of redelijk realiteitsbesef (zij geloven bijvoorbeeld dat het huis zeker niet, of waarschijnlijk niet, of mogelijk niet zal afbranden als zij het fornuis niet dertig keer controleren). Sommigen hebben een gering realiteitsbesef (de betrokkene gelooft dat het huis waarschijnlijk zal afbranden als het fornuis niet dertig keer is gecontroleerd) en een aantal mensen (4% of minder) heeft geen realiteitsbesef of heeft een paranoïsche overtuiging (iemand is er bijvoorbeeld van overtuigd dat het huis zal afbranden als het fornuis niet dertig keer is gecontroleerd). De mate van realiteitsbesef kan tijdens het beloop van de aandoening per persoon variëren. Een geringer realiteitsbesef hangt samen met een minder goede lan­ge­ter­mijn­prog­no­se.

Tot 30% van de mensen met OCS heeft op enig moment in hun leven een ticstoornis. Dit komt het vaakst voor bij mannen bij wie de obsessieve-compulsieve stoornis in de kindertijd is begonnen. Deze mensen verschillen meestal van degenen die niet eerder een ticstoornis hebben doorgemaakt, in het thema van hun OCS-symptomen, de comorbiditeit, het beloop en het patroon van familiaire overdracht.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.