Mensen met OCS hebben daarnaast vaak nog andere psychische stoornissen. Veel mensen met deze stoornis in de Verenigde Staten hebben op enig moment in hun leven een angststoornis (76%; bijvoorbeeld een paniekstoornis, sociale-angststoornis, ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis of een specifieke fobie) of een depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis (63% voor alle depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen, waarvan de depressieve stoornis (41%) het meest voorkomt); een classificatie op enig moment in het leven van een stoornis in de im­puls­be­heer­sing (56%) of een stoornis in het gebruik van een middel (39%) komt eveneens vaak voor. OCS begint meestal later dan de meeste comorbide angst­stoor­nis­sen (met als uitzondering de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis) en PTSS, maar meestal wel eerder dan de depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen. In een onderzoek onder 214 volwassenen in de Verenigde Staten die bij de start van hun behandeling de classificatie OCS volgens de DSM-IV-criteria hadden gekregen, werd bij 23–32% van de mensen die longitudinaal werden gevolgd een comorbide dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis gevonden.

Tot 30% van de mensen met OCS heeft daarnaast op enig moment in hun leven een ticstoornis. Een comorbide ticstoornis komt het meest voor bij mannen bij wie zich tijdens hun kindertijd OCS ontwikkelde. Deze mensen vertonen verschillen ten opzichte van degenen die niet eerder een ticstoornis doormaakten: in het thema van de OCS-symptomen, de comorbiditeit, het beloop en het patroon van familiaire overdracht. Een trias van OCS, ticstoornis en aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis kan zich ook bij kinderen voordoen.

Verschillende andere obsessieve-compulsieve of verwante stoornissen, zoals de morfodysfore stoornis, tri­cho­til­lo­ma­nie en de ex­co­ri­a­tie­stoor­nis, komen vaker voor bij mensen met OCS dan bij mensen zonder OCS. OCS komt bovendien veel vaker voor bij mensen met sommige andere stoornissen dan men op grond van de prevalentie in de algemene bevolking zou verwachten; wanneer een van deze classificaties is toegekend, dient de betrokkene ook op OCS te worden onderzocht. Bij mensen met schizofrenie of een schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis bijvoorbeeld is de prevalentie van OCS ongeveer 12%. Ook bij bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen, bij eetstoornissen zoals anorexia nervosa en boulimia nervosa, bij de morfodysfore stoornis en bij de stoornis van Gilles de la Tourette is de prevalentie van OCS verhoogd.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.