Risicofactoren variëren niet alleen per etiologisch subtype, maar ook binnen een subtype al naargelang de beginleeftijd. Sommige subtypen kunnen tijdens het hele leven optreden, terwijl andere zich uitsluitend of hoofdzakelijk op oudere leeftijd voordoen. Zelfs bij de neurocognitieve stoornissen die met het verouderingsproces samenhangen, varieert de prevalentie met de leeftijd: de ziekte van Alzheimer komt nauwelijks voor het 60ste levensjaar voor en de prevalentie neemt daarna snel toe, terwijl de in het algemeen minder vaak voorkomende frontotemporale degeneratie vroeger begint en met het stijgen van de leeftijd een steeds kleiner deel uitmaakt van de neurocognitieve stoornissen.
De grootste risicofactor voor de neurocognitieve stoornis is hoge leeftijd, voornamelijk omdat deze het risico op neurodegeneratieve en cerebrovasculaire ziekten vergroot. Het risico op een neurocognitieve stoornis verschilt per etnische achtergrond en hangt samen met verschillen in de risico’s op onderliggende ziekten (zoals hypertensie en diabetes), predisponerende aandoeningen (zoals hoofdletsel), de omgeving (bijvoorbeeld toegang tot gezonde voeding, een veilige ruimte om te bewegen), en andere factoren. In de Verenigde Staten is het risico op vasculaire dementie voor de Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse bevolking hoger dan voor de witte bevolking. Een lagere opleiding en lage geletterdheid zijn risicofactoren voor een NCS die ook binnen etnische groepen kunnen variëren, vanwege verschillen in de blootstelling aan negatieve sociale factoren die de gezondheid beïnvloeden.