Beperkte neurocognitieve stoornis

Mild neurocognitive disorder

CLASSIFICATIECRITERIA

A Er zijn aanwijzingen voor een lichte cognitieve achteruitgang ten opzichte van een eerder niveau van functioneren, in een of meer cognitieve domeinen (complexe aandacht, executieve functies, leervermogen en geheugen, taal, perceptueel-motorisch of sociaal-cognitief), gebaseerd op:

1 Zorgen van de betrokkene, een informant die de betrokkene goed kent, of de clinicus over een lichte achteruitgang in het cognitieve functioneren; en

2 Een lichte beperking in de cognitieve prestaties, bij voorkeur vastgesteld met ge­stan­daar­di­seer­de neu­ro­psy­cho­lo­gi­sche tests, of, als die er niet zijn, een ander gekwantificeerd klinisch onderzoek.

De combinatie van de aanwezigheid van symptomen en een objectieve beoordeling is van cruciaal belang om de specificiteit van de beperkte neurocognitieve stoornis te behouden. Door de veranderingen in de vaardigheden van een betrokkene te documenteren, wordt overdiagnose van de stoornis bij mensen die hun leven lang slecht presteren voorkomen, terwijl een objectieve beoordeling overdiagnose voorkomt bij gezonde mensen die zich zorgen maken over hun geheugen (de zogeheten worried well).

B De cognitieve deficiënties belemmeren niet het zelfstandig functioneren bij dagelijkse handelingen (complexe instrumentele activiteiten van het dagelijks leven, zoals het betalen van rekeningen of beheer van medicatie, blijven intact, maar er kunnen een grotere inspanning, compenserende strategieën of aanpassingen noodzakelijk zijn).

De beperkte neurocognitieve stoornis is de juiste classificatie voor mensen die nog zelfstandig zijn, maar die meer moeite hebben met het uitvoeren van taken of die compenserende strategieën moeten gebruiken.

C De cognitieve deficiënties doen zich niet alleen voor in de context van een delirium.

De cognitieve achteruitgang die bij de beperkte neurocognitieve stoornis zichtbaar is, beïnvloedt enkele van de cognitieve domeinen die ook bij een delirium worden aangedaan. Hoewel het van klinisch belang is om de beperkte neurocognitieve stoornis te onderscheiden van een delirium, kunnen beide stoornissen gezamenlijk optreden.

De cognitieve tekorten bij de beperkte neurocognitieve stoornis dienen niet beter verklaard te kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de depressieve stoornis of schizofrenie).

D De cognitieve deficiënties kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (zoals een depressieve stoornis, schizofrenie).

De cognitieve achteruitgang die bij de beperkte neurocognitieve stoornis zichtbaar is, beïnvloedt enkele van de cognitieve domeinen die ook bij een delirium worden aangedaan. Hoewel het van klinisch belang is om de beperkte neurocognitieve stoornis te onderscheiden van een delirium, kunnen beide stoornissen gezamenlijk optreden.

De cognitieve tekorten bij de beperkte neurocognitieve stoornis dienen niet beter verklaard te kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de depressieve stoornis of schizofrenie).

Specificeer of door:
Ziekte van Alzheimer
Frontotemporale degeneratie
Le­wy­li­chaam­pjes­ziek­te
Vasculaire ziekte
Traumatisch hersenletsel
Middel-/me­di­ca­tie­ge­bruik
Hiv-infectie
Prionziekte
Ziekte van Parkinson
Ziekte van Huntington
Andere somatische aandoening
Multipele oorzaken
Onbekende etiologie
On­ge­spe­ci­fi­ceerd

Co­de­rings­aan­wij­zing Gebruik de code F06.7 voor een beperkte neurocognitieve stoornis door een van de veroorzakende somatische aandoeningen uit de voorafgaande lijst. Gebruik dezelfde code voor een on­ge­spe­ci­fi­ceer­de beperkte neurocognitieve stoornis. Gebruik voor een beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie de code horend bij het betreffende middel; zie de paragraaf ‘Uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie’.

Bij zowel de uitgebreide als de beperkte neurocognitieve stoornissen zijn subtypen gegeven waarmee de clinicus de waarschijnlijke oorzaak van de stoornis kan vastleggen. Alle volgende subtypen vereisen dat aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis wordt voldaan. De afzondelijke stoornissen worden vervolgens ge­dif­fe­ren­ti­eerd op basis van hun etiologie. Naast de etiologische subtypen (zie hierna), kunnen de uitgebreide en beperkte neurocognitieve stoornissen verder worden afgebakend door de specificatie 'met ge­drags­stoor­nis­sen' of 'zonder ge­drags­stoor­nis­sen' (bijvoorbeeld psy­cho­se­symp­to­men, stem­mings­symp­to­men, agitatie, apathie of andere ge­drags­symp­to­men). Voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis zijn er extra specificaties voor de ernst om de gevolgen van de neurocognitieve stoornis voor het functioneren vast te leggen: 'licht', dat wil zeggen moeite met de instrumentele algemene dagelijkse le­vens­ver­rich­tin­gen (zoals het doen van de huishouding en het beheer van de financiën); 'matig', dat wil zeggen moeite met de ba­sis­ac­ti­vi­tei­ten van het dagelijks leven (zoals eten of aankleden); en 'ernstig', wat wil zeggen dat de betrokkene volledig afhankelijk is van anderen.

Specificeer:

Zonder ge­drags­stoor­nis­sen Als de cognitieve stoornis niet samengaat met klinisch significante ge­drags­stoor­nis­sen.

Met ge­drags­stoor­nis­sen (specificeer de symptomen) Als de cognitieve stoornis samengaat met klinisch significante ge­drags­stoor­nis­sen (bijvoorbeeld psy­cho­se­symp­to­men, stem­mings­symp­to­men, agitatie, apathie, of andere ge­drags­symp­to­men).

Bij zowel de uitgebreide als de beperkte neurocognitieve stoornissen zijn subtypen gegeven waarmee de clinicus de waarschijnlijke oorzaak van de stoornis kan vastleggen. Alle volgende subtypen vereisen dat aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis wordt voldaan. De afzondelijke stoornissen worden vervolgens ge­dif­fe­ren­ti­eerd op basis van hun etiologie. Naast de etiologische subtypen (zie hierna), kunnen de uitgebreide en beperkte neurocognitieve stoornissen verder worden afgebakend door de specificatie 'met ge­drags­stoor­nis­sen' of 'zonder ge­drags­stoor­nis­sen' (bijvoorbeeld psy­cho­se­symp­to­men, stem­mings­symp­to­men, agitatie, apathie of andere ge­drags­symp­to­men). Voor de uitgebreide neurocognitieve stoornis zijn er extra specificaties voor de ernst om de gevolgen van de neurocognitieve stoornis voor het functioneren vast te leggen: 'licht', dat wil zeggen moeite met de instrumentele algemene dagelijkse le­vens­ver­rich­tin­gen (zoals het doen van de huishouding en het beheer van de financiën); 'matig', dat wil zeggen moeite met de ba­sis­ac­ti­vi­tei­ten van het dagelijks leven (zoals eten of aankleden); en 'ernstig', wat wil zeggen dat de betrokkene volledig afhankelijk is van anderen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.