Temperament Risicofactoren voor het ontstaan van paniekaanvallen en een paniekstoornis zijn: negatieve affectiviteit (neuroticisme; de geneigdheid om negatieve emoties te ervaren), angst­sen­si­ti­vi­teit (de geneigdheid om te geloven dat angstsymptomen gevaarlijk zijn), ge­drags­in­hi­bi­tie, en leedvermijdend (harm avoidant) zijn. Een voor­ge­schie­de­nis van ‘angstaanvallen’ (aanvallen met een beperkt aantal symptomen die niet volledig voldoen aan de criteria voor een paniekaanval) kan een risicofactor zijn voor het latere ontstaan van paniekaanvallen en de paniekstoornis, vooral wanneer de eerste paniekaanval een negatieve ervaring is. Een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis tijdens de kinderjaren kan, vooral als er sprake is van een ernstige vorm, voorafgaan aan het latere ontstaan van de paniekstoornis, maar een consistente risicofactor is het niet.

Omgeving De meeste mensen met een paniekstoornis rapporteren duidelijk herkenbare stressoren tijdens de maanden voor hun eerste paniekaanval (bijvoorbeeld in­ter­per­soon­lij­ke stressoren en stressoren in verband met het lichamelijke welzijn, zoals negatieve ervaringen met drugs of geneesmiddelen, ziekte of een overlijden in de familie). Bovendien is de paniekstoornis ernstiger na het meemaken van een stressvolle levenservaring. Van de mensen met een paniekstoornis bevestigt 10 tot 60% een voor­ge­schie­de­nis met psychotrauma; ook is er een verband tussen stressvolle le­vens­ge­beur­te­nis­sen en ongunstige omstandigheden in de kindertijd enerzijds, en ernstiger vormen van paniek anderzijds. Ook overbezorgdheid en weinig emotionele warmte van de ouders zijn risicofactoren voor een paniekstoornis. Mensen met weinig economische middelen hebben meer kans op symptomen die aan de criteria voor de paniekstoornis voldoen. Roken is een risicofactor voor paniekaanvallen en voor de paniekstoornis.

Genetica en fysiologie Er zijn waarschijnlijk meerdere genen die bijdragen aan de kwetsbaarheid voor de paniekstoornis. Welke genen, producten van genen of functies die samenhangen met genetische regio’s hierbij precies een rol spelen, is nog onbekend. Nakomelingen van ouders met angst­stoor­nis­sen en depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen hebben een verhoogd risico op een paniekstoornis. Mensen met een paniekstoornis vertonen een verhoogde gevoeligheid voor provocatie met CO2-verrijkte lucht. Adem­ha­lings­pro­ble­men zoals astma kunnen wat betreft voor­ge­schie­de­nis, comorbiditeit en familieanamnese met een paniekstoornis samenhangen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.