In de Verenigde Staten ligt de mediane beginleeftijd voor de paniekstoornis op 20–24 jaar en internationaal op 32 jaar. De gemiddelde leeftijd bij het begin van de stoornis is 34,7 jaar. In een klein aantal gevallen ontstaat de stoornis al tijdens de kinderjaren; het ontstaan van de stoornis na de leeftijd van 55 jaar is zeldzaam, maar wel mogelijk. Als de stoornis niet wordt behandeld, is het beloop gewoonlijk chronisch, maar wisselend. Bij sommige patiënten speelt de stoornis episodisch op, met tussendoor jaren van remissie; bij andere patiënten kan er sprake zijn van een continu beloop met ernstige symptomen. Volgens een longitudinaal onderzoek in Nederland krijgt ongeveer een kwart van de personen met een paniekstoornis binnen de eerste vervolgperiode van twee jaar opnieuw symptomen. Slechts bij een minderheid van de mensen met een paniekstoornis is er volledige remissie zonder dat vervolgens binnen een paar jaar een terugval optreedt. Het is kenmerkend voor de paniekstoornis dat het beloop wordt gecompliceerd door een verscheidenheid van andere stoornissen, in het bijzonder andere angst­stoor­nis­sen, depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen en stoornissen in het gebruik van een middel (zie de subparagraaf ‘Comorbiditeit’ voor deze stoornis). Van Afro-Amerikaanse volwassenen is gemeld dat zij in vergelijking met witte volwassenen een chronischer beloop hebben van de paniekstoornis, mogelijk als gevolg van de voortdurende effecten van racisme en discriminatie, stigmatisering door psychische ziekte en de beperkte toegang tot adequate zorg.

Hoewel de paniekstoornis in de kindertijd zeer zeldzaam is, wordt retrospectief vaak wel beschreven dat de betrokkene als kind voor het eerst ‘angstaanvallen’ had. Net als bij volwassenen heeft de paniekstoornis bij adolescenten over het algemeen een chronisch beloop en is deze vaak comorbide met andere angst­stoor­nis­sen en depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen. Verschillen tussen adolescenten en volwassenen in het klinische beeld zijn tot nu toe niet gevonden. Wel maken adolescenten zich mogelijk minder zorgen dan jongvolwassenen over het opnieuw krijgen van een paniekaanval. De lagere prevalentie bij oudere volwassenen lijkt te worden verklaard door de leef­tijds­ge­re­la­teer­de ‘demping’ van de respons van het autonome zenuwstelsel. Bij veel ouderen met ‘paniekgevoelens’ wordt een ‘mengvorm’ gezien van paniekaanvallen met een beperkt aantal symptomen en ge­ge­ne­ra­li­seer­de angst. Ook hebben oudere volwassenen eerder de neiging om hun paniekaanvallen toe te schrijven aan bepaalde stressvolle situaties, zoals een medische procedure of een sociale situatie. Ouderen kunnen vaker retrospectief verklaringen voor de paniekaanval geven (wat de classificatie paniekstoornis uitsluit), zelfs als de paniekaanval op het moment zelf wel onverwacht kwam (waarmee wordt voldaan aan de basisvoorwaarde voor een classificatie paniekstoornis). Dit kan leiden tot een te geringe erkenning van onverwachte paniekaanvallen bij ouderen. Ouderen dienen dan ook zorgvuldig te worden bevraagd om te kunnen vaststellen of ze hun paniekaanvallen al verwachtten op het moment dat ze zich in de situatie begaven, zodat onverwachte paniekaanvallen en de aanwezigheid van een paniekstoornis niet over het hoofd worden gezien.

Hoewel de lage prevalentie van de paniekstoornis onder kinderen zou kunnen samenhangen met moeilijkheden met het rapporteren van de symptomen, lijkt dit on­waar­schijn­lijk, aangezien kinderen wel in staat zijn om intense angst bij een scheiding of vrees voor fobische objecten of situaties te rapporteren. Adolescenten zijn mogelijk minder bereid dan volwassenen om openlijk te spreken over paniekaanvallen. Clinici dienen zich er dan ook van bewust te zijn dat onverwachte paniekaanvallen wel voorkomen bij adolescenten, net zo goed als bij volwassenen; daarom moeten ze in het contact met adolescenten met episoden van intense angst of lijdensdruk met deze mogelijkheid rekening houden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.