In de bevolking als geheel bedraagt de geschatte 12-maandsprevalentie van de paniekstoornis in de Verenigde Staten en een aantal Europese landen, waaronder Nederland, 2–3%. De wereldwijde prevalentie wordt geschat op 1,7%, met een geprojecteerd levenslang risico van 2,7% in de World Mental Health Surveys. In de Verenigde Staten worden significant lagere prevalentieschattingen van de paniekstoornis gemeld onder mensen van Latijns-Amerikaanse, Afro-Amerikaanse, Afro-Caraïbische en Aziatische afkomst dan onder mensen van Europese afkomst. De prevalentieschattingen van de paniekstoornis onder de inheemse (indiaanse) Amerikaanse bevolking varieert van 2,6 tot 4,1%. In Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen worden lagere geschatte percentages beschreven, variërend van 0,1 tot 0,8%. De paniekstoornis komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen; de verhouding bedraagt ongeveer 2:1. Deze genderdifferentiatie ontstaat tijdens de adolescentie en is al waarneembaar voor de leeftijd van 14 jaar. Paniekaanvallen komen ook bij kinderen voor, maar de totale prevalentie van de paniekstoornis onder kinderen jonger dan 14 jaar is laag (< 0,4%). Tijdens de adolescentie is er een geleidelijke stijging van de percentages met een paniekstoornis, mogelijk intredend na het begin van de puberteit, en de piek treedt op volwassen leeftijd op. Bij ouderen daalt de prevalentie (1,2% bij volwassenen ouder dan 55 jaar, 0,7% bij volwassenen ouder dan 64 jaar); deze daling geeft mogelijk aan dat de ernst afneemt tot een subklinisch niveau.