Mensen met een paniekstoornis hebben een aandachtsbias voor bedreigende stimuli. Zo kunnen paniekaanvallen bij de betrokkenen in veel sterkere mate worden uitgelokt door stoffen met uiteenlopende werkingsmechanismen, zoals natriumlactaat, cafeïne, isoprenaline, yohimbine, kooldioxide en cholecystokinine, dan bij mensen zonder deze stoornis. Er bestaat veel belangstelling voor het verband tussen de paniekstoornis en de gevoeligheid voor deze paniekopwekkende middelen. Hoewel deze gegevens geen diagnostisch nut lijken te hebben, blijkt er op basis van gegevens over de gevoeligheid voor provocatie via de ademhaling toch een zekere mate van specificiteit te bestaan voor de paniekstoornis en verwante aandoeningen, zoals de separatieangststoornis. Bij mensen met een paniekstoornis kunnen een chronisch hogere uitgangswaarde voor hyperventilatie en een hogere frequentie van zuchten voorkomen. Deze laboratoriumbevindingen worden echter niet als diagnostisch kenmerk van de paniekstoornis beschouwd.