F41.0
CLASSIFICATIECRITERIA
ARecidiverende onverwachte paniekaanvallen. Een paniekaanval is een plotselinge golf van intense angst of intens onbehagen die binnen enkele minuten een piek bereikt, en die gepaard gaat met vier (of meer) van de volgende symptomen:
NB De plotselinge golf kan ontstaan vanuit een toestand van kalmte, of vanuit een al bestaande toestand van angst.
1Hartkloppingen, bonzend hart of een versnelde hartslag.
2Transpireren.
De paniekstoornis vereist recidiverende en ‘onverwachte’ paniekaanvallen, waarbij minstens één van de aanvallen samenhangt met ofwel aanhoudende bezorgdheid over nieuwe aanvallen, of veranderingen in het gedrag in verband met de aanvallen. De voorbeelden die worden gegeven bieden de clinicus inzicht in de gevolgen van de aanvallen op het functioneren.
3Trillen of beven.
4Gevoelens van ademnood of verstikking.
5Het gevoel naar adem te snakken.
6Pijn of een onaangenaam gevoel op de borst.
7Misselijkheid of maag-/buikklachten.
8Een gevoel van duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd zijn of flauwvallen.
9Koude rillingen of opvliegers.
10Paresthesieën (verdoofd of tintelend gevoel).
11Derealisatie (gevoelens van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (het gevoel vervreemd van zichzelf te zijn).
12Vrees om de zelfbeheersing te verliezen of ‘gek te worden’.
13Vrees om dood te gaan.
De paniekstoornis vereist recidiverende en ‘onverwachte’ paniekaanvallen, waarbij minstens één van de aanvallen samenhangt met ofwel aanhoudende bezorgdheid over nieuwe aanvallen, of veranderingen in het gedrag in verband met de aanvallen. De voorbeelden die worden gegeven bieden de clinicus inzicht in de gevolgen van de aanvallen op het functioneren.
NB Cultuurspecifieke symptomen zijn ook mogelijk (bijvoorbeeld tinnitus, pijn in de nek, hoofdpijn, onbeheersbaar schreeuwen of huilen). Deze symptomen tellen niet mee als een van de vier verplichte symptomen.
BMinstens één van de aanvallen is gevolgd door één maand (of langer) een of beide van de volgende kenmerken:
1Persisterend(e) bezig zijn met of bezorgdheid over nieuwe paniekaanvallen of de gevolgen daarvan (bijvoorbeeld verlies van zelfbeheersing, een hartaanval krijgen, ‘gek worden’).
2Een significante, maladaptieve gedragsverandering in samenhang met de aanvallen (bijvoorbeeld gedrag bedoeld om paniekaanvallen te voorkomen, zoals vermijding van lichamelijke inspanning of onbekende situaties).
CDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening (zoals hyperthyreoïdie; hart- en longaandoeningen).
De paniekstoornis moet worden onderscheiden van somatische aandoeningen die soortgelijke symptomen veroorzaken. Paniekaanvallen hangen samen met een verscheidenheid aan endocrinologische ziekten, inclusief hypo- en hyperthyreoïdie, hyperparathyreoïdie en feochromocytomen. Episodische hypoglykemie kan ook panieksymptomen veroorzaken. Convulsiestoornissen, evenwichtsstoornissen, neoplasma’s, voorgeschreven en illegale middelen, en hart- en longproblemen (zoals hartritmestoornissen, chronische obstructieve longziekten en astma) kunnen allemaal leiden tot panieksymptomen. Aanwijzingen voor een onderliggende somatische reden voor de panieksymptomen zijn atypische kenmerken tijdens paniekaanvallen, zoals ataxie, veranderingen in het bewustzijn of controleverlies over de blaas; ontstaan van de paniekstoornis relatief laat in het leven; of lichamelijke klachten en verschijnselen die duiden op een somatische aandoening.
De paniekstoornis moet worden gedifferentieerd van een aantal andere psychische stoornissen, in het bijzonder andere angsttoestanden. Differentiatie van de gegeneraliseerde-angststoornis kan soms moeilijk zijn, maar klassieke paniekaanvallen worden gekenmerkt door een snelle aanvang en korte duur, in tegenstelling tot de gegeneraliseerde-angststoornis, waarbij de angst langzamer ontstaat en verdwijnt. Angst is ook een kenmerk van veel andere psychische stoornissen, zoals psychotische en stemmingsstoornissen.
DDe stoornis kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld: de paniekaanvallen treden niet alleen op in reactie op gevreesde sociale situaties, zoals bij de sociale-angststoornis; in reactie op omschreven fobische objecten of situaties, zoals bij de specifieke fobie; in reactie op obsessies, zoals bij de obsessieve-compulsieve stoornis; in reactie op herinneringen aan psychotraumatische gebeurtenissen, zoals bij de posttraumatische-stressstoornis; of in reactie op scheiding van hechtingspersonen, zoals bij de separatieangststoornis).
De paniekstoornis moet worden onderscheiden van somatische aandoeningen die soortgelijke symptomen veroorzaken. Paniekaanvallen hangen samen met een verscheidenheid aan endocrinologische ziekten, inclusief hypo- en hyperthyreoïdie, hyperparathyreoïdie en feochromocytomen. Episodische hypoglykemie kan ook panieksymptomen veroorzaken. Convulsiestoornissen, evenwichtsstoornissen, neoplasma’s, voorgeschreven en illegale middelen, en hart- en longproblemen (zoals hartritmestoornissen, chronische obstructieve longziekten en astma) kunnen allemaal leiden tot panieksymptomen. Aanwijzingen voor een onderliggende somatische reden voor de panieksymptomen zijn atypische kenmerken tijdens paniekaanvallen, zoals ataxie, veranderingen in het bewustzijn of controleverlies over de blaas; ontstaan van de paniekstoornis relatief laat in het leven; of lichamelijke klachten en verschijnselen die duiden op een somatische aandoening.
De paniekstoornis moet worden gedifferentieerd van een aantal andere psychische stoornissen, in het bijzonder andere angsttoestanden. Differentiatie van de gegeneraliseerde-angststoornis kan soms moeilijk zijn, maar klassieke paniekaanvallen worden gekenmerkt door een snelle aanvang en korte duur, in tegenstelling tot de gegeneraliseerde-angststoornis, waarbij de angst langzamer ontstaat en verdwijnt. Angst is ook een kenmerk van veel andere psychische stoornissen, zoals psychotische en stemmingsstoornissen.