Mensen met een stoornis in het gebruik van een opioïde testen bij de gewone toxicologische urineonderzoeken naar opioïden vaak positief. Tussen 12 en 36 uur na het gebruik blijven de testuitslagen voor de meeste opioïden positief (bijvoorbeeld voor heroïne, morfine, codeïne, oxycodon, propoxyfeen). Sommige opioïden, zoals fentanyl en oxycodon, kunnen niet door een standaardurineonderzoek (dat op morfine test) worden aangetoond, maar kunnen wel gedurende enkele dagen na het gebruik met behulp van meer gespecialiseerde procedures worden aangetroffen. Ook methadon en buprenorfine (of combinaties van buprenorfine/naloxon) kunnen niet met een gewone opioïdentest worden aangetoond; voor deze middelen zijn specifieke tests nodig die de middelen gedurende enkele dagen tot een week kunnen aantonen.
Hoewel het geen specifieke marker voor een stoornis in het gebruik van een opioïde is, brengt een laboratoriumonderzoek bij heroïnegebruikers vaak de aanwezigheid van andere middelen (bijvoorbeeld cocaïne, cannabis, alcohol, amfetamine, benzodiazepinen) aan het licht. Ook is een screening op het hepatitis A-, B- en C-virus vaak positief bij injecterende opioïdegebruikers, ofwel voor het hepatitisantigen (wat een actieve infectie aanduidt), ofwel voor antistoffen voor hepatitis (wat betekent dat iemand eerder geïnfecteerd is geweest). Een laboratoriumonderzoek laat vaak licht verhoogde leverfuncties zien. Dit is ofwel een gevolg van hepatitis of van toxische leverschade als gevolg van de stoffen waarmee het geïnjecteerde opioïde is vervuild. Ook hiv komt bij opioïdegebruikers veelvuldig voor. Tot wel zes maanden na onttrekking van een opioïde kunnen subtiele veranderingen in het cortisolsecretiepatroon en de regulering van de lichaamstemperatuur worden waargenomen.