De stoornis begint meestal in de kindertijd en de adolescentie of jong­vol­was­sen­heid, maar zelden op oudere leeftijd. Het piekmoment van het ontstaan ligt rond de leeftijd van 15–25 jaar. De stoornis kan abrupt ontstaan of zich progressief ontwikkelen, waarbij in de loop van enkele jaren kataplexie ontstaat. Er is gerapporteerd dat kinderen bij wie de NT1-symptomen abrupt zijn begonnen de ernstigste vorm van de stoornis hebben, maar dat in deze gevallen de symptomen in de eerste paar jaar na de aanvang gedeeltelijk lijken te verbeteren. Het abrupt ontstaan in jonge, prepuberale kinderen kan samenhangen met obesitas en pubertas praecox. Ongeveer 50% van de mensen bij wie narcolepsie op volwassen leeftijd is vastgesteld, herinnert zich dat de symptomen in de kindertijd of adolescentie zijn ontstaan, wat wijst op moeilijkheden met het tijdig diagnosticeren van deze stoornis. Als de stoornis manifest is geworden, kent deze een persisterend beloop en is de stoornis voor de rest van het leven aanwezig.

In 90% van de gevallen is de eerste manifeste klacht slaperigheid of toegenomen slaap, gevolgd door kataplexie (binnen één jaar bij 50% van de gevallen, binnen drie jaar bij 85%). Vroege symptomen zijn slaperigheid, hypnagoge hallucinaties, levendige dromen en de rem­slaap­ge­drags­stoor­nis (vocalisaties of complexe motorische handelingen tijdens de remslaap). Overmatig slapen gaat al snel over in het niet wakker kunnen blijven overdag en ’s nachts niet meer goed kunnen slapen, zonder een duidelijke toename in de totale slaaptijd in een periode van 24 uur. In de eerste maanden kan kataplexie atypisch zijn, vooral bij kinderen. Het uit zich met een ge­ge­ne­ra­li­seer­de hypotonie in plaats van met een episodische zwakte die door emoties wordt getriggerd. Over het algemeen blijven de nar­co­lep­sie­symp­to­men redelijk stabiel, maar onder invloed van le­vens­ge­beur­te­nis­sen zoals zwangerschap en stressoren kunnen ze fluctueren. Exacerbaties van de symptomen zijn een aanwijzing voor het gebrek aan therapietrouw voor wat betreft de medicatie of het ontwikkelen van een gelijktijdig optredende slaapstoornis, in het bijzonder een slaap­ap­neu­syn­droom, dat bij ongeveer een kwart van de mensen met narcolepsie voorkomt.

Jonge kinderen en adolescenten met narcolepsie worden vaak agressief, of krijgen ge­drags­pro­ble­men; beide fenomenen zijn secundair aan slaperigheid en/of een verstoorde nachtrust. De werklast en de sociale druk nemen toe tijdens de middelbare school en vervolgstudies, waardoor de beschikbare slaaptijd ’s nachts afneemt. Door zwangerschap lijken de symptomen niet consistent te veranderen. Na hun pensionering hebben mensen meer tijd voor dutjes, waardoor de behoefte aan stimulantia afneemt. Patiënten van alle leeftijden hebben baat bij regelmaat.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.