Polysomnografie van de nachtelijke slaap gevolgd door een MSLT dient om de classificatie narcolepsie te bevestigen, vooral wanneer de stoornis voor het eerst wordt geclassificeerd en voor aanvang van de behandeling. Als er duidelijk kataplexie aanwezig is, kan NT1 bevestigd worden via polysomnografie en MSLT. Als er geen kataplexie en hypocretinedeficiëntie (indien gemeten) aanwezig zijn, kan op basis van de MSLT-uitkomsten de classificatie NT2 toegekend worden. De effecten van drugs of medicatie (bijvoorbeeld antidepressiva of middelen die de remslaap remmen), de onttrekking van stimulantia, eerder slaapgebrek, ploegendienst en ernstige depressiviteit kunnen leiden tot een onnauwkeurig MSLT-resultaat en moeten worden uitgesloten voordat de MSLT wordt uitgevoerd. In het bijzonder moet chronisch te kort slapen worden overwogen, omdat dit vaak voorkomt.
De aanwezigheid van een nSOREMP is zeer specifiek voor NT1 (ongeveer 1% positief bij controlepersonen) maar gematigd sensitief (ongeveer 50%). Daarentegen werd bij slechts 10 tot 23% van de mensen met NT2 met normale hypocretineconcentraties een nSOREMP gevonden, wat wijst op een nog lagere sensitiveit bij dit subtype. Het MSLT-resultaat wordt als positief voor narcolepsie beschouwd als het een gemiddelde slaaplatentietijd van ≤ 8 vertoont, en er bij twee of meer dutjes in een test met vier of vijf dutjes SOREMP’s gemeten worden. Het MSLT-resultaat is positief bij 90 tot 95% van de mensen met NT1, versus 2 tot 4% van de controlegroep of mensen met andere slaapstoornissen. Zoals eerder opgemerkt, is het door de lage test-hertestbetrouwbaarheid van de MSLT voor NT2 niet mogelijk om vergelijkbare gegevens voor NT2 te bepalen. Aanvullende polysomnografische bevindingen bij mensen met narcolepsie omvatten vaak arousals, verlaagde slaapefficiëntie, en een toegenomen N1-slaap. Periodieke bewegingen van de ledematen (gevonden bij ongeveer 40% van de mensen met NT1) en een slaapapneusyndroom worden vaak gemeld.
Hypocretinedeficiëntie is meetbaar via het hypocretine-1-gehalte in de liquor cerebrospinalis. De test is vooral zinvol bij mensen bij wie pseudokataplexie wordt vermoed, en bij degenen bij wie geen typische kataplexie aanwezig is, of in therapieresistente gevallen. De testuitkomst wordt niet verstoord door medicatie, slaapdeprivatie of het tijdstip van de dag of nacht waarop de test is uitgevoerd. De bevindingen kunnen niet worden beoordeeld wanneer de betrokkene ernstig ziek is met een gelijktijdig optredende infectie of een hoofdletsel, of als de betrokkene comateus is. Cytologie, eiwit en glucose in de liquor vallen binnen het normale bereik, zelfs wanneer binnen enkele weken na het optreden van de eerste klachten een monster wordt afgenomen. Wanneer de concentratie hypocretine-1 in de liquor gemeten wordt bij mensen met typische kataplexiesymptomen, is de waarde vaak al aanzienlijk verlaagd, of kan deze niet worden vastgesteld.
Ongeveer 85 tot 95% van de mensen met NT1 testen positief voor het HLA DQB1*06:02 haplotype. Dit gen beïnvloedt de antigeenpresentatie van het immuunsysteem, wat duidt op een onderliggende auto-immuunziekte als oorzaak van NT1. Dit wordt verder ondersteund door het feit dat er verhoogde prevalenties van NT1 zijn geweest na specifieke vaccins en infecties. Anders dan bij NT1 zijn er geen biomarkers voor NT2. Van de mensen met NT2 test slechts ongeveer 40 tot 50% positief op DQB1*06:02. Aangezien 12 tot 38% van de algemene bevolking DQB1*06:02-positief is, is testen op dit allel niet erg nuttig voor het vaststellen van NT2; het kan echter wel nuttig zijn voor de screening op NT1.