Temperament Voorbeelden van onderliggende eigenschappen die mensen kunnen predisponeren voor een sociale-angststoornis zijn gedragsinhibitie, de angst om negatief te worden beoordeeld, en leedvermijdend (harm avoidant) zijn. Persoonlijkheidstrekken die consistent met sociale angst samengaan zijn een hoge negatieve affectiviteit (neuroticisme) en een geringe mate van extraversie.
Omgeving Er zijn aanwijzingen dat er een verband is tussen negatieve sociale ervaringen, vooral als kind gepest worden door andere kinderen, en het ontwikkelen van sociale angst, hoewel de causale route onduidelijk blijft. Kindermishandeling en ongunstige ervaringen in de kindertijd zijn risicofactoren voor een sociale-angststoornis. Onder Afro-Amerikaanse en Afro-Caraïbische mensen in de Verenigde Staten hangt de sociale-angststoornis samen met de alledaagse vormen van etnische discriminatie.
Genetica en fysiologie Eigenschappen die mensen predisponeren voor een sociale-angststoornis, zoals gedragsinhibitie, zijn in sterke mate erfelijk bepaald. De genetische invloed is wel onderhevig aan gen-omgevinginteractie: kinderen met een hoge mate van gedragsinhibitie zijn ontvankelijker voor omgevingsinvloeden, bijvoorbeeld als de ouders sociaal angstige rolmodellen zijn. De sociale-angststoornis is ook erfelijk. Eerstegraadsfamilieleden hebben een twee tot zes keer zo grote kans op een sociale-angststoornis, en de kwetsbaarheid voor de stoornis wordt bepaald door het samenspel van stoornisspecifieke genetische factoren (bijvoorbeeld vrees voor een negatieve beoordeling) en niet-stoornisspecifieke genetische factoren (zoals negatieve affectiviteit (neuroticisme)). De genetische bijdrage aan de sociale-angststoornis is hoger bij kinderen dan bij volwassenen, en ook hoger voor symptomen van sociale angst dan voor een vastgestelde classificatie sociale-angststoornis.