De sociale-angststoornis gaat gepaard met verhoogde percentages schoolverlating en een verminderd welzijn, een kleinere kans op het hebben van werk, een lagere productiviteit op het werk, een lagere sociaaleconomische status en een minder goede kwaliteit van leven. Mensen met een sociale-angststoornis zijn vaker alleenstaand, ongehuwd of gescheiden, en ze hebben vaker geen kinderen. Dit geldt vooral voor mannen; vrouwen zijn vaker werkloos. De sociale-angststoornis hangt bovendien negatief samen met de kwaliteit van vriendschappen: mensen met een sociale-angststoornis rapporteren minder hechte en minder ondersteunende vriendschappen dan mensen zonder de stoornis. Bij oudere volwassenen kunnen er problemen zijn met het verrichten van zorgverlenende taken en vrijwilligerswerk. De sociale-angststoornis belemmert mensen ook in hun vrijetijdsbesteding. Ondanks de hoge mate van lijdensdruk en de sociale beperkingen die de sociale-angststoornis met zich meebrengt, zoekt in de hoge-inkomenslanden slechts de helft van de mensen met deze stoornis hulp, en dit gebeurt vaak pas nadat ze al vijftien tot twintig jaar klachten ervaren. Een krachtige voorspeller van het aanhouden van de sociale-angststoornis is het niet hebben van werk.