In de Verenigde Staten is de mediane beginleeftijd van de sociale-angststoornis 13 jaar, en voor 75% van de betrokkenen ligt deze tussen 8 en 15 jaar. Uit Amerikaans en Europees onderzoek blijkt dat de stoornis soms ontstaat tijdens de kinderjaren vanuit een voor­ge­schie­de­nis van sociale geremdheid of verlegenheid. De stoornis kan ook al tijdens de vroege kinderjaren ontstaan. De sociale-angststoornis kan ontstaan na een aanwijsbare stressvolle of vernederende ervaring (zoals gepest worden, overgeven tijdens het houden van een toespraak), maar kan ook sluipenderwijs ontstaan en zich langzaam ontwikkelen. Dat de stoornis zich voor het eerst op volwassen leeftijd openbaart is relatief zeldzaam, en als dit gebeurt is er vaak sprake van een stressvolle of vernederende ervaring of van veranderingen in iemands leven die nieuwe sociale rollen met zich meebrengen (zoals trouwen met iemand van een andere sociale klasse, promotie krijgen op het werk). De sociale-angststoornis kan afnemen als iemand met angst om te daten trouwt, en kan dan na een echtscheiding weer opduiken. Onder de mensen die klinische hulp zoeken, is de stoornis hardnekkig.

Vergeleken met jongere kinderen beschrijven adolescenten een breder patroon van angst en vermijding, onder andere bij het daten. Oudere volwassenen uiten sociale angst in mindere mate maar in een breder scala van situaties, terwijl jongere volwassenen een hogere mate van vrees voor specifieke sociale situaties hebben. Bij oudere volwassenen kan de sociale angst betrekking hebben op handicaps door minder goed functionerende zintuigen (horen en zien) of op schaamte over het uiterlijk (bijvoorbeeld bij een tremor als symptoom van de ziekte van Parkinson) of over het functioneren als gevolg van somatische aandoeningen, incontinentie of cognitieve achteruitgang (namen van mensen vergeten bijvoorbeeld).

Het herkennen van een sociale-angststoornis bij oudere volwassenen kan lastig zijn vanwege verschillende factoren, bijvoorbeeld het feit dat de aandacht vooral uitgaat naar somatische symptomen, de aanwezigheid van comorbide somatische ziekte, een beperkt ziektebesef bij de betrokkene, veranderingen in de sociale omgeving of in sociale rollen die de achteruitgang in het sociale functioneren kunnen maskeren, of te­rug­hou­dend­heid bij de oudere om te praten over psychische problemen. Er zijn grote verschillen in de re­mis­sie­per­cen­ta­ges voor de sociale-angststoornis, wat doet vermoeden dat er verschillende beloopsvormen bestaan (kort, fluctuerend en chronisch).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.