Het hoofdkenmerk van de sociale-angststoornis is een uitgesproken of intense angst of vrees voor sociale situaties waarin de betrokkene de kans loopt kritisch te worden beoordeeld door anderen. Bij kinderen moet de angst of vrees optreden in het gezelschap van leeftijdgenoten, en niet alleen tijdens interacties met volwassenen (criterium A). Als de betrokkene wordt blootgesteld aan dergelijke sociale situaties, vreest hij of zij een negatief oordeel van de kant van anderen. De betrokkene maakt zich er zorgen over te worden beoordeeld als angstig, zwak, gek, onbenullig, saai, intimiderend, vies of niet aardig. De betrokkene vreest dat hij of zij zich op een bepaalde manier zal gedragen, op een bepaalde manier zal overkomen of angst­ver­schijn­se­len zal laten zien, zoals blozen, trillen, zweten, over zijn of haar woorden struikelen of staren, wat door anderen negatief zal worden beoordeeld (criterium B). Sommige mensen vrezen hierdoor aanstoot te geven bij of te worden afgewezen door anderen. De angst aanstoot te geven, bijvoorbeeld door een blik of door angstsymptomen te laten zien, kan de voornaamste angst zijn bij mensen die afkomstig zijn uit een cultuur die sterk col­lec­ti­vis­tisch is georiënteerd. Iemand met een angst voor trillende handen kan het vermijden om in het openbaar te drinken, eten, schrijven of wijzen; iemand met een angst voor zweten kan handen schudden of het eten van pittig gekruid voedsel vermijden; iemand met bloosangst kan optreden in het openbaar, felle lichten of gesprekken over intieme onderwerpen vermijden. Sommige mensen hebben angst voor urineren in het bijzijn van anderen in openbare toiletten, en vermijden dit om die reden (paruresis).

De sociale situaties roepen bijna altijd angst of vrees op (criterium C). De classificatie ‘sociale-angststoornis’ geldt dan ook niet voor iemand die slechts af en toe angstig wordt in bepaalde sociale situaties. De mate en het type angst en vrees kunnen echter variëren per situatie (bijvoorbeeld an­ti­ci­pa­tie­angst, een paniekaanval). An­ti­ci­pa­tie­angst kan soms al lang voor de situatie aanwezig zijn (bijvoorbeeld als iemand zich wekenlang dagelijks zorgen maakt over het bijwonen van een sociale gebeurtenis, of als iemand een toespraak dagen van tevoren oefent). Bij kinderen kan de angst of vrees zich uiten in huilen, driftbuien, verstijven, vastklampen of wegduiken in sociale situaties. De betrokkene vermijdt de gevreesde sociale situaties, of anders worden die alleen verdragen met intense angst of vrees (criterium D). De vermijding kan heel goed zichtbaar zijn (bijvoorbeeld niet naar feestjes gaan, schoolweigering), maar ze kan ook subtiel zijn (bijvoorbeeld de tekst van een toespraak overmatig voorbereiden, de aandacht afleiden van zichzelf naar anderen, oogcontact beperken).

De angst of vrees wordt beoordeeld als overmatig gezien het werkelijke risico om negatief te worden beoordeeld of gezien de mogelijke gevolgen van zo’n negatieve beoordeling (criterium E). Soms kan de angst niet als overmatig worden beoordeeld, aangezien deze samenhangt met een werkelijk gevaar (bijvoorbeeld gepest of mishandeld worden door anderen). Personen met een sociale-angststoornis overschatten echter vaak de negatieve gevolgen van sociale situaties, en het is dan ook aan de clinicus om te beoordelen of de angst dis­pro­por­ti­o­neel is. Bij het vormen van dit oordeel dient rekening te worden gehouden met de sociaal-culturele context van de betrokkene. In bepaalde culturen kan gedrag in sociale situaties dat anders als sociaal angstig wordt beoordeeld, wel gepast zijn (en bijvoorbeeld als een teken van respect worden beschouwd).

De duur van de symptomen is meestal minstens zes maanden (criterium F). Deze duurdrempel helpt om de stoornis te onderscheiden van voorbijgaande sociale angsten die algemeen voorkomen, vooral bij kinderen, maar ook onder de algemene bevolking. De angst, vrees en vermijding moeten de betrokkene aanzienlijk belemmeren in zijn of haar dagelijkse routine of beroepsmatige functioneren, of sociale activiteiten of relaties, of ze moeten leiden tot klinisch significante lijdensdruk (criterium G). Zo is er bij iemand die bang is om te spreken in het openbaar, geen sprake van een sociale-angststoornis als deze activiteit geen geregeld onderdeel vormt van het werk of van het functioneren in de klas, en als de betrokkene niet significant lijdt onder de vrees. Als de betrokkene daarentegen de baan of opleiding die hij of zij echt graag wil, vermijdt of ervoor wordt gepasseerd vanwege zijn of haar symptomen van sociale angst, wordt hiermee voldaan aan criterium G.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.