Sociale-angststoornis

Social anxiety disorder

F40.1

CLASSIFICATIECRITERIA

ADuidelijke angst of vrees voor een of meer sociale situaties waarin de betrokkene wordt blootgesteld aan mogelijke kritische beoordeling door anderen. Voorbeelden zijn sociale interacties (bijvoorbeeld een gesprek voeren, onbekende mensen ontmoeten), geobserveerd worden (bijvoorbeeld eten of drinken) en een prestatie leveren in het bijzijn van anderen (bijvoorbeeld een toespraak houden).
NB Bij kinderen moet de angst optreden in gezelschap van leeftijdgenoten, en niet alleen tijdens interacties met volwassenen.

Deze criteria hebben betrekking op de drie contexten waarin de sociale-angststoornis het vaakst optreedt: sociale interacties, geobserveerd worden door anderen, en een prestatie leveren in het bijzijn van anderen. In criterium B zijn de concepten ‘vernederend’ en ‘beschamend’ uit de DSM-IV opgenomen in de bredere frase ‘dat anderen hier negatief over zullen oordelen’, wat het hoofdkenmerk is van de angst in de sociale-angststoornis. De zinsnede ‘aanstoot zal geven bij anderen’ is toegevoegd om de culturele gevoeligheid te verhogen: in sommige culturen is de onderliggende vrees de bezorgdheid dat anderen zich ongemakkelijk zullen voelen.

BDe betrokkene vreest dat hij of zij zich zodanig zal gedragen of in zo’n mate angst­ver­schijn­se­len zal vertonen dat anderen hierover negatief zullen oordelen (omdat het vernederend of gênant is; of tot afwijzing zal leiden door of aanstoot zal geven bij anderen).

Deze criteria hebben betrekking op de drie contexten waarin de sociale-angststoornis het vaakst optreedt: sociale interacties, geobserveerd worden door anderen, en een prestatie leveren in het bijzijn van anderen. In criterium B zijn de concepten ‘vernederend’ en ‘beschamend’ uit de DSM-IV opgenomen in de bredere frase ‘dat anderen hier negatief over zullen oordelen’, wat het hoofdkenmerk is van de angst in de sociale-angststoornis. De zinsnede ‘aanstoot zal geven bij anderen’ is toegevoegd om de culturele gevoeligheid te verhogen: in sommige culturen is de onderliggende vrees de bezorgdheid dat anderen zich ongemakkelijk zullen voelen.

CDe sociale situaties roepen bijna altijd angst of vrees op.
NB Bij kinderen kan de angst of vrees zich uiten in huilen, driftbuien, verstijven, vastklampen, wegduiken of niet spreken in sociale situaties.

Dit criterium benadrukt dat sociale angst een ge­con­di­ti­o­neer­de respons op een stimulus is. Bovendien verduidelijkt het dat angst en vrees bij kinderen zich op verschillende manieren kunnen uiten (bijvoorbeeld als woe­deuit­bar­stin­gen).

DDe sociale situaties worden vermeden, of alleen verdragen met intense angst of vrees.

Hoewel sommige mensen met een sociale-angststoornis de situaties die angst uitlokken vermijden, zullen anderen deze situaties verdragen, zelfs wanneer de angst of vrees intens is.

EDe angst of vrees is buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar dat de sociale situatie met zich meebrengt, de sociaal-culturele context in acht genomen.

Mensen met een sociale-angststoornis hebben vaak moeite om te erkennen dat hun vrees overdreven is. Derhalve kan de clinicus in een betere positie zijn om dit te beoordelen. De bewoording ‘buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar’ dient om te ope­ra­ti­o­na­li­se­ren wat werd bedoeld met ‘overdreven of onredelijk’ in de DSM-IV. Criterium C in de DSM-IV bevatte de opmerking dat zelferkenning afwezig kan zijn bij kinderen; dit criterium is verwijderd. Ten slotte is in de DSM-5 opgenomen dat de clinicus rekening dient te houden met de so­ci­aal­cul­tu­re­le context.

FDe angst, vrees of vermijding is persisterend, en duurt meestal zes maanden of langer.

Het vereiste in de DSM-IV dat de stoornis bij kinderen jonger dan 18 jaar minimaal zes maanden moet duren is nu uitgebreid tot alle leef­tijds­groe­pen, omdat er aanwijzingen zijn dat voorbijgaande sociale angst ook op volwassen leeftijd kan voorkomen. Dit duurcriterium helpt het over­di­a­gnos­ti­ce­ren van voorbijgaande sociale angst te verminderen.

GDe angst, vrees of vermijding veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

De meeste mensen ervaren op een bepaald punt in hun leven enige sociale angst. Criterium G vereist dat de symptomen aanzienlijke beperkingen of lijdensdruk moeten veroorzaken. Met dit criterium wordt de overdiagnostiek van de sociale-angststoornis voorkomen.

Veel stoornissen worden gekenmerkt door angst voor sociale situaties. De classificatie sociale-angststoornis moet alleen worden toegekend wanneer de vermijding niet toegeschreven kan worden aan de effecten van een middel of medicatie, niet beter kan worden verklaard door een andere psychische stoornis en niet samenhangt met een somatische aandoening (criteria H, I en J).

HDe angst, vrees of vermijding kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening.

De meeste mensen ervaren op een bepaald punt in hun leven enige sociale angst. Criterium G vereist dat de symptomen aanzienlijke beperkingen of lijdensdruk moeten veroorzaken. Met dit criterium wordt de overdiagnostiek van de sociale-angststoornis voorkomen.

Veel stoornissen worden gekenmerkt door angst voor sociale situaties. De classificatie sociale-angststoornis moet alleen worden toegekend wanneer de vermijding niet toegeschreven kan worden aan de effecten van een middel of medicatie, niet beter kan worden verklaard door een andere psychische stoornis en niet samenhangt met een somatische aandoening (criteria H, I en J).

IDe angst, vrees of vermijding kan niet beter worden verklaard door de symptomen van een andere psychische stoornis, zoals de paniekstoornis, de morfodysfore stoornis of de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis.

JAls er sprake is van een somatische aandoening of conditie (zoals de ziekte van Parkinson, obesitas, verminking door verbranding of verwonding), is de angst of vermijding hieraan duidelijk niet gekoppeld of is deze excessief.

De meeste mensen ervaren op een bepaald punt in hun leven enige sociale angst. Criterium G vereist dat de symptomen aanzienlijke beperkingen of lijdensdruk moeten veroorzaken. Met dit criterium wordt de overdiagnostiek van de sociale-angststoornis voorkomen.

Veel stoornissen worden gekenmerkt door angst voor sociale situaties. De classificatie sociale-angststoornis moet alleen worden toegekend wanneer de vermijding niet toegeschreven kan worden aan de effecten van een middel of medicatie, niet beter kan worden verklaard door een andere psychische stoornis en niet samenhangt met een somatische aandoening (criteria H, I en J).

Specificeer indien:

Alleen podiumvrees Als de angst zich beperkt tot spreken of andere vormen van optreden in het openbaar.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.