In de Verenigde Staten bedraagt de 12-maandsprevalentie van de sociale-angststoornis naar schatting 7%. In een groot deel van de rest van de wereld ligt de geschatte prevalentie ondanks het gebruik van hetzelfde diagnostische instrument een stuk lager, namelijk rond 0,5–2%; in Europa bedraagt de mediane prevalentie 2,3%. In de Verenigde Staten en de Oost-Aziatische landen lijkt de prevalentie toe te nemen. Voor jonge adolescenten (leeftijd 13–17 jaar) zijn de 12-maandsprevalentiepercentages ongeveer de helft van die van volwassenen. De 12-maandsprevalentie neemt na de leeftijd van 65 jaar af. In de Verenigde Staten, Europa en Australië varieert de 12-maandsprevalentie voor oudere volwassenen tussen 2 en 5%. In de bevolking als geheel is de prevalentie van de sociale-angststoornis over het algemeen hoger bij vrouwen dan bij mannen (met een relatief risico van 1,5–2,2); dit genderverschil in prevalentie is meer uitgesproken bij adolescenten en jongvolwassenen. In steekproeven van psychiatrische patiënten zijn de percentages voor mannen gelijk aan of iets hoger dan die voor vrouwen. Men neemt aan dat genderrollen en sociale verwachtingspatronen in belangrijke mate verklaren dat mannelijke patiënten vaker hulp zoeken voor dit probleem. In de Verenigde Staten is er een lagere prevalentie onder mensen van Aziatische, Latijns-Amerikaanse, Afro-Amerikaanse en Afro-Caraïbische afkomst dan onder mensen van Europese afkomst.