De sociale-angststoornis is vaak comorbide met andere angst­stoor­nis­sen, de depressieve stoornis en stoornissen in het gebruik van een middel. Het ontstaan van de sociale-angststoornis gaat over het algemeen vooraf aan dat van die andere stoornissen, met uitzondering van de specifieke fobie en de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis. Het chronische sociale isolement gedurende het beloop van de sociale-angststoornis kan leiden tot een depressieve stoornis. Ook bij oudere volwassenen is de comorbiditeit met depressiviteit hoog. Middelengebruik kan bij sociale angsten worden ingezet als zelfmedicatie, maar de symptomen van intoxicatie door of onttrekking van een middel, trillen bijvoorbeeld, kunnen ook een bron zijn van (nog meer) sociale angst. De sociale-angststoornis is vaak comorbide met een morfodysfore stoornis en de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis is vaak comorbide met de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Bij kinderen komt comorbide hoog­func­ti­o­ne­rend autisme en selectief mutisme algemeen voor.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.