Mensen met een sociale-angststoornis kunnen onvoldoende assertief zijn, of overmatig nederig, of, minder vaak, zeer sterk controle willen houden over het gesprek. Ze kunnen een overdreven stijve lichaamshouding aannemen, onvoldoende oogcontact maken, of met een te zachte stem spreken. Mensen met deze stoornis kunnen verlegen of teruggetrokken zijn, en in gesprekken minder open zijn en minder over zichzelf vertellen. Ze kunnen kiezen voor werk dat geen sociaal contact vereist, hoewel dit niet geldt voor mensen met een sociale-angststoornis met alleen podiumvrees. Ook blijven ze vaak langer bij hun ouders thuis wonen. Mannen kunnen laat zijn met trouwen en met een gezin stichten, terwijl vrouwen die eigenlijk wel buitenshuis zouden willen werken dit uiteindelijk vanwege hun stoornis niet doen. Zelfmedicatie met middelen komt algemeen voor (bijvoorbeeld ‘indrinken’ alvorens naar een feestje te gaan). Bij oudere volwassenen kan sociale angst ook tot uiting komen in een verergering van de symptomen van somatische aandoeningen, zoals een sterkere tremor of tachycardie. Een kenmerkende lichamelijke reactie van de sociale-angststoornis is blozen.