Omgeving Onder de om­ge­vings­fac­to­ren kunnen armoede en discriminatie een rol spelen (waaronder maat­schap­pe­lij­ke ongelijkheid als het gaat om veroordeling tot detentie en toe­gan­ke­lijk­heid van medicatie voor de behandeling van verslavingen), alsmede werkloosheid en een laag op­lei­dings­ni­veau. Ook kunnen cultureel bepaalde attituden ten aanzien van drank en intoxicatie een rol spelen, evenals de beschikbaarheid van alcohol (inclusief de prijs), de opgedane persoonlijke ervaring met alcohol, en de mate van stress. Bij mensen met een predispositie zijn verder een hoge mate van gebruik onder vrienden, overdreven positieve verwachtingen van het effect van alcohol en een suboptimale manier van omgaan met stress potentiële uitlokkende factoren voor het ontstaan van al­co­hol­pro­ble­men.

Genetica en fysiologie De stoornis in het gebruik van alcohol komt familiair voor; 40 tot 60% van de variantie van het risico wordt verklaard door genetische invloeden. Het percentage van voorkomen van deze aandoening is drie tot vier keer zo hoog bij nauw verwante familieleden van iemand met een stoornis in het gebruik van alcohol. Dit percentage is hoger naarmate het aantal familieleden met de stoornis groter is, de genetische afstand tot het aangedane familielid kleiner is, en de al­co­hol­ge­re­la­teer­de problemen bij deze familieleden groter zijn. Bij eeneiige tweelingen is het percentage stoornissen in alcoholgebruik significant hoger dan bij twee-eiige tweelingen van mensen met de stoornis. Bij kinderen van mensen met een stoornis in het gebruik van alcohol is het gemeten risico drie- tot viermaal zo hoog, zelfs wanneer deze kinderen bij de geboorte ter adoptie waren aangeboden en opgevoed waren door adoptiefouders zonder deze stoornis.

Door de vooruitgang in kennis over degenen die via intermediaire eigenschappen (of fenotypen) het risico op een stoornis in het gebruik van alcohol beïnvloeden, zijn we beter in staat te signaleren wanneer iemand een uitzonderlijk laag of hoog risico op een stoornis in het gebruik van alcohol heeft. Onder de fenotypen met een laag risico valt de acute al­co­hol­ge­re­la­teer­de bloosreactie van de huid (gebruikelijker bij mensen van Aziatische afkomst). Een verhoogd risico hebben mensen met voorafgaande schizofrenie of een bipolaire-I- of -II-stoornis, en mensen met een hoge mate van impulsiviteit (deze leidt tot een verhoging van de kans op elke stoornis in het gebruik van een middel en op een gokstoornis). Met name hangt een verhoogd risico op een stoornis in het gebruik van alcohol samen met een lage respons op (lage gevoeligheid voor) alcohol. Een aantal genvarianten kan ver­ant­woor­de­lijk zijn voor een lage respons op alcohol of voor een modulatie van het do­p­ami­ne­be­lo­nings­sys­teem in de hersenen. Eén gen verklaart meestal echter niet meer dan 1 à 2% van het risico op deze stoornis. Interacties tussen genen en de omgeving moduleren de impact van genetische variaties: de genetische invloed op alcoholgebruik is bijvoorbeeld meer uitgesproken bij minimale sociale controle (bijvoorbeeld weinig ouderlijk toezicht) of wanneer alcohol gemakkelijk toegankelijk is of het gebruik ervan door de omgeving wordt aangemoedigd (bijvoorbeeld onder leeftijdgenoten of collega’s).

Factoren die het beloop beïnvloeden Gewoonlijk gaat een hoge mate van impulsiviteit samen met een vroeg begin en een ernstiger beloop van de stoornis in het gebruik van alcohol.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.