De verstandelijke-ontwikkelingsstoornis komt voor bij alle etnische bevolkingsgroepen. Prevalentieverschillen per sociale en culturele context kunnen te wijten zijn aan variërende omgevingsrisico’s van de stoornis (zoals perinataal letsel, chronische sociale deprivatie), die samenhangen met de sociaaleconomische status en toegang tot de gezondheidszorg. In West-Australië is de prevalentie van de verstandelijke-ontwikkelingsstoornis bij Aboriginalkinderen 39 per 1000 mensen tegenover 16 per 1000 bij niet-Aboriginalkinderen, die vaker opgroeien in meer welvarende gezinnen. Voor de beoordeling zijn culturele sensitiviteit en kennis van sociaal-structurele omstandigheden nodig en moet er rekening worden gehouden met de sociaaleconomische, etnische, culturele en taalkundige achtergrond, de eerder opgedane ervaringen, en het aanpassingsvermogen van de betrokkene binnen de gemeenschap en de culturele context. Er zijn verschillende culturele verklaringen voor de verstandelijke-ontwikkelingsstoornis, en deze kunnen bestaan uit culturele overtuigingen over bovennatuurlijke invloeden en straffen voor vermeende of feitelijke zaken die de moeder of de ouders verkeerd zouden hebben gedaan, wat met schaamte en onderrapportage van de stoornis gepaard kan gaan.