Manische episoden met prikkelbare stemming of met gemengde kenmerken Depressieve episoden met een opvallend prikkelbare stemming zijn soms moeilijk te onderscheiden van manische episoden met prikkelbare stemming of met gemengde kenmerken. Dit onderscheid vereist een zorgvuldige klinische beoordeling van de aanwezigheid van voldoende manische symptomen om aan de drempelwaarde voor de criteria te voldoen (dat wil zeggen: drie als de stemming verhoogd is, vier als de stemming prikkelbaar is, maar niet verhoogd).

Bipolaire-I-stoornis, bipolaire-II-stoornis of andere gespecificeerde bi­po­lai­re­stem­mings­stoor­nis De classificatie depressieve stoornis kan niet worden toegekend als er aan de depressieve episoden een manische of hypomanische episode is voorafgegaan. Als de depressieve episoden gepaard gaan met een voor­ge­schie­de­nis van hypomanische episoden, maar zonder manische episoden, wijst dit op een bipolaire-II-stoornis, terwijl de aanwezigheid van depressieve episoden met een voor­ge­schie­de­nis van manische episoden (met of zonder hypomanische episoden) wijst op een bipolaire-I-stoornis. Als er sprake is van een beeld met depressieve episoden en een voor­ge­schie­de­nis van hypomanische perioden die niet voldoen aan de criteria voor een hypomanische episode, moet daarentegen ofwel een andere gespecificeerde bipolaire-stem­mings­stoor­nis ofwel een depressieve stoornis worden geclassificeerd. Hierbij hangt de keuze af van het oordeel van de clinicus over bij welke classificatie het beeld het best past. Het beeld kan bijvoorbeeld het best passen bij de classificatie andere gespecificeerde bipolaire-stem­mings­stoor­nis als de clinicus oordeelt dat de hypomanische symptomen onder de drempelwaarde blijven maar wel klinisch significant zijn, of kan beter opgevat worden als een depressieve stoornis met enkele hypomanische symptomen die onder de drempelwaarde blijven tussen twee episoden in.

Depressieve-stem­mings­stoor­nis door een somatische aandoening De classificatie depressieve-stem­mings­stoor­nis door een somatische aandoening vereist de aanwezigheid van een etiologische somatische aandoening. Er is geen sprake van een depressieve stoornis als de depressieve episoden allemaal toe te schrijven zijn aan een direct pa­tho­fy­si­o­lo­gisch gevolg van een specifieke somatische aandoening (zoals multiple sclerose, een ce­re­bro­vas­cu­lair accident of hypothyreoïdie).

Depressieve-stem­mings­stoor­nis door een middel/medicatie Het onderscheid tussen deze classificatie en de depressieve stoornis is dat een bepaald middel (bijvoorbeeld een drug, medicatie of een toxine) etiologisch gerelateerd lijkt te zijn aan de verstoring van de stemming. Een verlaagde stemming die alleen binnen de context van onttrekking van cocaïne optreedt, wordt dan bijvoorbeeld geclassificeerd als depressieve-stem­mings­stoor­nis door cocaïne.

Persisterende depressieve stoornis De persisterende depressieve stoornis wordt gekenmerkt door een verlaagde stemming die gedurende minstens twee jaar meer dagen wel dan niet aanwezig is. Als aan de criteria wordt voldaan voor zowel de depressieve stoornis als de persisterende depressieve stoornis, kunnen beide classificaties worden toegekend.

Premenstruele stem­mings­stoor­nis De premenstruele stem­mings­stoor­nis wordt gekenmerkt door een verlaagde stemming die aanwezig is in de laatste week voor de aanvang van de menstruatie, die binnen een paar dagen na de aanvang van de menstruatie begint te verbeteren, en die minimaal of volledig afwezig is in de week na de menstruatie. De episoden van de depressieve stoornis hangen daarentegen niet temporeel samen met de men­stru­a­tie­cy­clus.

Disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis De disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis wordt gekenmerkt door ernstige, recidiverende woede-uitbarstingen die zich verbaal en/of in het gedrag manifesteren, en die vergezeld gaan van een persisterend prikkelbare of boze stemming tussen de woede-uitbarstingen in, gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag. Bij de depressieve stoornis daarentegen is de prikkelbaarheid beperkt tot de depressieve episoden.

Depressieve episoden gesuperponeerd op schizofrenie, een schi­zo­fre­ni­for­me stoornis, een waanstoornis of een andere gespecificeerde of on­ge­spe­ci­fi­ceer­de schi­zo­fre­nies­pec­trum- of andere psychotische stoornis Bij schizofrenie, de waanstoornis, de schi­zo­fre­ni­for­me stoornis of een andere gespecificeerde of on­ge­spe­ci­fi­ceer­de schi­zo­fre­nies­pec­trum- of andere psychotische stoornis kunnen depressieve symptomen aanwezig zijn. Meestal kunnen dergelijke symptomen worden beschouwd als bijkomende kenmerken van deze stoornissen, en dan verdienen ze geen separate classificatie. Wanneer de depressieve symptomen echter volledig voldoen aan de criteria voor een depressieve episode, kan naast de classificatie van de betreffende psychotische stoornis de classificatie andere gespecificeerde depressieve-stem­mings­stoor­nis worden toegekend.

Schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis De schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis verschilt van de depressieve stoornis met psychotische kenmerken door het vereiste dat er bij een schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis gedurende minstens twee weken sprake is van wanen of hallucinaties in afwezigheid van een depressieve episode.

Aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis Verhoogde afleidbaarheid en een lage frus­tra­tie­to­le­ran­tie kunnen zowel bij de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis (ADHD) als bij een depressieve episode optreden; als aan de criteria voor beide wordt voldaan, kan naast de stem­mings­stoor­nis ook de classificatie ADHD worden toegekend. De clinicus moet er echter voor waken om een depressieve episode te snel te registreren bij kinderen met ADHD bij wie de verstoring van de stemming wordt gekenmerkt door prikkelbaarheid in plaats van door verdriet of verlies van interesse.

Aan­pas­sings­stoor­nis met verlaagde stemming Een depressieve episode die optreedt als reactie op een psychosociale stressor is te onderscheiden van een aan­pas­sings­stoor­nis met een verlaagde stemming door het feit dat bij een aan­pas­sings­stoor­nis niet volledig wordt voldaan aan de criteria voor een depressieve episode.

Verlies van een dierbare Het verlies van een dierbare veroorzaakt over het algemeen een rouwreactie die intens kan zijn en veel kenmerken kan hebben die overlappen met de karakteristieke symptomen van een depressieve episode, zoals verdriet, slaapproblemen en slechte concentratie. Aan de hand van onder andere de volgende kenmerken kan een rouwreactie onderscheiden worden van een depressieve episode: het gevoel dat bij rouw op de voorgrond staat is een gevoel van leegheid en verlies, terwijl het bij een depressieve episode gaat om een aanhoudend verlaagde stemming en een verminderd vermogen om plezier te ervaren. Bovendien zal de verlaagde stemming bij rouw waarschijnlijk in de loop van dagen tot weken in intensiteit afnemen en treedt deze op in golven die meestal samenhangen met gedachten over of herinneringen aan de overledene, terwijl de verlaagde stemming in een depressieve episode meer aanhoudend is en niet gebonden is aan specifieke gedachten of preoccupaties. Het is belangrijk om op te merken dat verlies van een dierbare bij kwetsbare mensen (bijvoorbeeld iemand met een voor­ge­schie­de­nis van een depressieve stoornis) niet alleen een rouwreactie kan veroorzaken, maar ook een depressieve episode in gang kan zetten of een bestaande episode kan verergeren.

Verdriet Verdrietige perioden maken onlosmakelijk deel uit van de menselijke ervaring. Deze perioden mogen niet worden geclassificeerd als een depressieve episode, tenzij aan de criteria wordt voldaan voor de ernst (vijf van de negen symptomen) en voor de duur (bijna dagelijks het grootste deel van de dag aanwezig gedurende minstens twee weken), en er sprake is van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen. De classificatie andere gespecificeerde depressieve-stem­mings­stoor­nis kan van toepassing zijn wanneer een patiënt zich presenteert met een verlaagde stemming waarbij sprake is van een klinisch significante beperking die niet voldoet aan de criteria voor de duur of de ernst.

Persisterende-rouwstoornis De persisterende-rouwstoornis wordt gekenmerkt door een aanhoudende rouwreactie, waarbij langer dan een jaar na de dood van een naaste klinisch significante lijdensdruk of beperkingen blijven bestaan. Deze stoornis kan worden onderscheiden van een depressieve episode door het vereiste van een intens kwellend verlangen naar, of een preoccupatie met, de overledene. Ook is vereist dat de symptomen het gevolg zijn van het verlies; betrokkenen ervaren bijvoorbeeld intense emotionele pijn (zoals boosheid, verbittering, verdriet), hebben het gevoel dat het leven zinloos is, of hebben moeite om na het overlijden van de dierbare de eigen relaties en activiteiten weer op te pakken. Bij een depressieve episode is er daarentegen sprake van een ge­ge­ne­ra­li­seer­de­re depressieve stemming, die niet specifiek gerelateerd is aan het verlies. Als aan de criteria voor zowel de persisterende-rouwstoornis als de depressieve stoornis wordt voldaan, moeten beide stoornissen worden geclassificeerd.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.