Bipolaire-I- of bipolaire-II-stoornis
Heeft als kenmerk een of meer manische of hypomanische episoden. De classificatie depressieve stoornis kan niet worden toegekend als ooit sprake is geweest van een manische of hypomanische episode. De aanwezigheid van enkele manische symptomen (d.w.z. minder symptomen, of symptomen die korter aanwezig zijn dan is vereist voor een manische of hypomanische episode) hoeft de classificatie depressieve stoornis niet uit te sluiten (die krijgt in dat geval de specificatie ‘met gemengde kenmerken’).
Depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening
Heeft als vereiste de aanwezigheid van een etiologische somatische aandoening. De classificatie depressieve stoornis wordt niet toegekend wanneer de op een depressieve stoornis gelijkende episoden volledig het gevolg zijn van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening.
Depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
Is het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel of medicatie. De classificatie depressieve stoornis wordt niet toegekend als de op depressiviteit gelijkende episoden volledig het gevolg zijn van de directe fysiologische effecten van een middel (of medicatie).
Persisterende depressieve stoornis (dysthymie)
Heeft als kenmerk een sombere stemming, meer dagen wel dan niet, gedurende minstens 2 jaar. Als aan zowel de criteria voor de depressieve stoornis als aan die van de persisterende depressieve stoornis is voldaan, kunnen beide classificaties worden toegekend.
Premenstruele stemmingsstoornis
Heeft als kenmerk een stemmingsstoornis die in de laatste week vóór de aanvang van de menstruatie aanwezig is en binnen een paar dagen na het begin van de menstruatie weer afneemt, en minimaal of volledig afwezig is in de week na de menstruatie. Daarentegen is er bij de episoden binnen een depressieve stoornis geen sprake van een temporeel verband met de menstruatiecyclus.
Disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis
Heeft als kenmerk ernstige recidiverende woede-uitbarstingen die zich verbaal en/of in het gedrag manifesteren, en tussen de uitbarstingen door, gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, gepaard gaan met een persisterend prikkelbare of boze stemming. Bij de depressieve stoornis beperkt de prikkelbaarheid zich daarentegen tot de depressieve episoden.
Schizofrenie, waanstoornis of schizofreniforme stoornis
Heeft als kenmerk psychosesymptomen met daarnaast mogelijk depressieve episoden. De classificatie wordt schizofrenie, waanstoornis of schizofreniforme stoornis als de depressieve episoden nooit gelijktijdig met de psychotische stoornis zijn opgetreden, of, als ze wel gelijktijdig voorkomen, slechts relatief kortdurend waren. De classificatie wordt ‘depressieve stoornis met psychotische kenmerken’ als de psychosesymptomen uitsluitend tijdens de depressieve episoden voorkomen.
Schizoaffectieve stoornis
Heeft als kenmerk perioden waarin depressieve episoden gelijktijdig met de actieve-fasesymptomen van schizofrenie voorkomen, perioden waarin gedurende minstens 2 weken sprake is van wanen of hallucinaties in afwezigheid van een manische of depressieve episode, en perioden waarin de depressieve episoden gedurende het grootste deel van de totale duur van de ziekte aanwezig zijn. De classificatie wordt ‘depressieve stoornis met psychotische kenmerken’ als de psychosesymptomen uitsluitend tijdens de depressieve episoden voorkomen.
Uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een somatische aandoening of uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie
Heeft als kenmerk aanwijzingen voor achteruitgang in een of meer cognitieve domeinen als gevolg van de fysiologische effecten van een somatische aandoening of de persisterende effecten van het gebruik van een middel.
Aanpassingsstoornis met sombere stemming
Heeft als kenmerk depressieve symptomen die optreden als reactie op een stressor en niet voldoen aan de criteria voor een depressieve episode.
Rouw na overlijden
Treedt op in reactie op het verlies van een dierbare en is doorgaans minder ernstig dan een depressieve episode. Het affect dat bij rouw op de voorgrond staat, is een gevoel van leegte en verlies, terwijl bij een depressieve episode sprake is van een persisterende sombere stemming en een verminderd vermogen om plezier te ervaren. Bovendien is de sombere stemming bij rouw doorgaans na enkele dagen tot weken minder intens en steekt deze bij vlagen op, vaak door herinneringen aan of gedachten over de overledene, terwijl de sombere stemming bij een depressieve episode meer persisterend is en niet aan specifieke gedachten of bepaalde preoccupaties is gebonden.
Niet-pathologische sombere perioden
Heeft als kenmerk een korte duur, weinig bijkomende symptomen en geen significante beperkingen of lijdensdruk.