Temperament Negatieve affectiviteit (neuroticisme) is een bekende risicofactor voor het begin van een depressieve stoornis, en wanneer dit is verhoogd, lijkt er meer kans te bestaan op het ontwikkelen van depressieve episoden in reactie op ingrijpende levensgebeurtenissen.
Omgeving Negatieve jeugdervaringen, vooral meerdere ervaringen van uiteenlopende aard, vormen bij elkaar een krachtige verzameling risicofactoren voor een depressieve stoornis. Vrouwen lopen naar verhouding meer risico op negatieve jeugdervaringen, waaronder seksueel misbruik, wat mogelijk bijdraagt aan de verhoogde prevalentie van depressiviteit in deze groep. Andere sociale determinanten van geestelijke gezondheid, zoals een laag inkomen, minder lang formeel onderwijs genoten hebben, en racisme en andere vormen van discriminatie, hangen samen met een hoger risico op de depressieve stoornis. Ingrijpende levensgebeurtenissen zijn bekend als luxerende factor voor een depressieve episode, maar de aan- of afwezigheid van negatieve levensgebeurtenissen vlak voor het begin van een episode biedt geen goed richtsnoer voor de prognose of de behandelkeuze. Etiologisch gezien ondervinden vrouwen gedurende hun hele leven naar verhouding vaker de gevolgen van belangrijke risicofactoren voor depressiviteit, waaronder interpersoonlijke psychotraumata.
Genetica en fysiologie Eerstegraadsfamilieleden van mensen met een depressieve stoornis dragen een risico om een depressieve stoornis te ontwikkelen dat twee tot vier keer hoger is dan dat van de algemene bevolking. De relatieve risico’s lijken hoger te zijn voor de stoornissen met een vroeg begin en voor de recidiverende typen. De mate van erfelijkheid bedraagt ongeveer 40%, en een aanzienlijk deel van dit genetische risico komt voor rekening van de persoonlijkheidstrek neuroticisme. Vrouwen lopen mogelijk ook meer risico op een depressieve stoornis tijdens specifieke reproductieve levensfasen, zoals tijdens de premenstruele fase, post partum en in de perimenopauze.
Factoren die het beloop beïnvloeden Vrijwel alle ernstige niet-stemmingsstoornissen (dat wil zeggen: angststoornissen, stoornissen in het gebruik van een middel, trauma- en stressorgerelateerde stoornissen, voedings- en eetstoornissen, en obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen) vergroten de kans op depressiviteit. Depressieve episoden die zich tegen de achtergrond van een andere aandoening ontwikkelen, hebben vaak een hardnekkiger beloop. Stoornissen in het gebruik van een middel, angststoornissen en de borderline-persoonlijkheidsstoornis komen daarbij het meest voor en kunnen worden overschaduwd door de voorliggende depressieve symptomen, waardoor deze met vertraging worden herkend. Een langdurige klinische verbetering van depressieve symptomen kan echter afhangen van een adequate behandeling van de onderliggende aandoeningen. Chronische of invaliderende somatische aandoeningen verhogen eveneens het risico op depressieve episoden. Veelvoorkomende aandoeningen zoals diabetes, morbide obesitas en cardiovasculaire aandoeningen worden vaak gecompliceerd door depressieve episoden, en de kans dat deze episoden chronisch worden is groter dan de kans bij depressieve episoden bij somatisch gezonde mensen.