De depressieve stoornis is gerelateerd aan een hoge mortaliteit, wat voor een groot deel kan worden verklaard door suïcide; dit is echter niet de enige oorzaak. Depressieve mensen die in een verpleeghuis worden opgenomen, hebben bijvoorbeeld een sterk verhoogde kans in het eerste jaar te overlijden. De verschijnselen bij de betrokkene zijn vaak: huilerigheid, prikkelbaarheid, tobben, dwangmatig rumineren, angst, fobieën, overmatige bezorgdheid over de lichamelijke gezondheid, en pijnklachten (hoofdpijn, gewrichtspijn, buikpijn of andere pijnen). Bij kinderen kan separatieangst optreden.
Terwijl er veel literatuur is over de neuroanatomische, neuro-endocrinologische en neurofysiologische correlaten van de depressieve stoornis, bestaat er nog geen laboratoriumonderzoek dat sensitief en specifiek genoeg is om als diagnostische marker voor deze aandoening gebruikt te worden. Tot voor kort was hyperactiviteit van de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-as (HPA-as) de uitgebreidst onderzochte afwijking die een relatie vertoonde met depressieve episoden. Deze afwijking blijkt samen te gaan met melancholische kenmerken (een bijzonder ernstig type depressiviteit), psychotische kenmerken en het risico op een uiteindelijke suïcide. Moleculair onderzoek heeft ook perifere factoren aangewezen, waaronder genetische varianten in neurotrofische factoren en pro-inflammatoire cytokinen. Daarnaast zijn bij volumetrisch en fMRI-onderzoek afwijkingen gevonden in specifieke neuronale systemen voor emotieverwerking, beloning zoeken, en emotieregulatie bij volwassenen met een depressieve stoornis.