De bipolaire-I-stoornis wordt gekenmerkt door een klinisch beloop van recidiverende stemmingsepisoden (manisch, depressief en hypomanisch), maar er moet minstens één manische episode zijn voor de vaststelling van een bipolaire-I-stoornis. Het wezenlijke kenmerk van een manische episode is een duidelijk afgrensbare periode met een abnormaal en persisterend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, en tevens een persisterend verhoogde activiteit of energie, vrijwel dagelijks en het grootste deel van de dag aanwezig, gedurende minstens één week (of elke duur indien opname in een ziekenhuis noodzakelijk is), in combinatie met minstens drie aanvullende symptomen uit criterium B. Indien de stemming eerder geprikkeld dan verhoogd of expansief is, dienen minstens vier symptomen uit criterium B aanwezig te zijn.
De stemming wordt in een manische episode vaak omschreven als eufoor, overmatig opgewekt, uitgelaten of als een ‘gevoel de hele wereld aan te kunnen’. In sommige gevallen is de stemming dermate aanstekelijk dat het niet moeilijk te zien is dat dit overmatig is en kan worden getypeerd door een grenzeloos en willekeurig enthousiasme voor interpersoonlijke, seksuele of beroepsmatige interacties. Zo kan de betrokkene zomaar in het openbaar een uitvoerig gesprek met vreemden aangaan. Vaak is de overheersende stemming eerder geprikkeld dan verhoogd, vooral als niet aan de wensen van de betrokkene wordt voldaan of als hij of zij middelen heeft gebruikt. Er kunnen zich binnen korte tijd snelle stemmingswisselingen voordoen, die labiliteit worden genoemd (euforie, dysforie en prikkelbaarheid wisselen elkaar af). Bij kinderen zijn vrolijkheid, gekkigheid en ‘maf doen’ normaal binnen veel sociale contexten; als deze symptomen zich echter herhaaldelijk en niet passend bij de situatie voordoen en verder gaan dan wat gezien het ontwikkelingsniveau van het kind kan worden verwacht, zouden ze aan het stemmingsvereiste van een abnormaal verhoogde stemming in criterium A kunnen voldoen. Om aan criterium A te voldoen moet de vrolijkheid of gekkigheid bij een kind duidelijk verhoogd zijn ten opzichte van wat voor het kind normaal is en moet deze gepaard gaan met een voortdurend verhoogde activiteit of energie, en dit moet voor degenen die het kind goed kennen duidelijk ongewoon zijn voor dit kind. Om aan de criteria voor een manische episode te voldoen, moeten de symptomen van het kind daarnaast ook voldoen aan criterium B voor manie en een duidelijke verandering vormen ten opzichte van wat voor het kind normaal is.
Tijdens de manische episode kan de betrokkene aan meerdere elkaar overlappende projecten beginnen. De projecten worden vaak met weinig voorkennis over het onderwerp gestart, en daarbij lijkt niets buiten het bereik van de betrokkene te liggen. De verhoogde activiteit en energie kunnen zich op ongewone tijden van de dag voordoen, bijvoorbeeld op tijden waarop de betrokkene normaliter slaapt.
Vaak is er sprake van een opgeblazen gevoel van eigenwaarde, variërend van kritiekloos zelfvertrouwen tot duidelijk aanwezige grandiositeit, die de proporties van een waan kunnen aannemen (criterium B). De betrokkene kan complexe taken op zich nemen ondanks dat de ervaring of het talent hiervoor ontbreekt, zoals het schrijven van een roman of de publiciteit zoeken voor een onpraktische uitvinding. Grootheidswanen (bijvoorbeeld over het hebben van een speciale relatie met een beroemd persoon) zijn niet ongewoon. Bij kinderen is het normaal dat zij het eigen kunnen overschatten en geloven dat zij bijvoorbeeld de allerbeste zijn in een bepaalde sport, of de slimste van de klas. Wanneer dit soort overtuigingen echter ondanks overtuigend tegenbewijs aanwezig blijven, of wanneer het kind probeert duidelijk gevaarlijke toeren uit te halen en — nog belangrijker — deze wijken af van het normale gedrag van het kind, dan kan ervan worden uitgegaan dat aan het criterium van grandiositeit is voldaan.
Een van de kenmerken die het meest voorkomen is een afgenomen behoefte aan slaap (criterium B2), wat anders is dan insomnia (waarbij iemand wil slapen en behoefte heeft aan slaap, maar er niet in slaagt te slapen). De betrokkene slaapt misschien een beetje, of niet, of kan uren vroeger wakker worden dan normaal, en voelt zich dan toch uitgerust en vol energie. Als de slaapstoornis ernstige vormen aanneemt, kan hij of zij soms dagen zonder slaap zonder zich moe te voelen. Vaak is een afgenomen slaapbehoefte het eerste teken dat een manische episode begint.
Het spreken kan snel, dwingend, luid en moeilijk te onderbreken zijn (criterium B3). De betrokkene kan voortdurend praten zonder er rekening mee te houden dat anderen ook iets willen zeggen, vaak op een opdringerige manier of zonder erop te letten of datgene wat wordt gezegd wel relevant is. Het spreken wordt soms gekenmerkt door grapjes, woordspelingen, niet ter zake doende vermakelijkheden, en theatraal, met dramatische maniërismen, zingen en overmatig gesticuleren. Luid en krachtig spreken is vaak belangrijker dan wat er wordt gezegd. Als de stemming meer geprikkeld is dan expansief, kan het spreken met veel klachten, vijandige opmerkingen of boze tirades gepaard gaan, vooral als men probeert de betrokkene te onderbreken. De symptomen van zowel criterium A als B kunnen gepaard gaan met symptomen van de tegengestelde (depressieve) pool (zie de specificatie ‘met gemengde kenmerken’).
De gedachtegang van de betrokkene is vaak zo gejaagd dat de gedachten sneller gaan dan hij of zij door middel van spreken kan uiten (criterium B4). Dikwijls is er sprake van gedachtevlucht, wat blijkt uit een continue stroom van versneld spreken met plotselinge overgangen tussen de onderwerpen. Als de gedachtevlucht in ernstige mate aanwezig is, kan de betrokkene zo gedesorganiseerd en onsamenhangend gaan spreken dat hij of zij er zelf last van heeft. Soms voelt het voor de betrokkene alsof hij of zij zo bomvol gedachten zit dat dit het praten erg bemoeilijkt.
Verhoogde afleidbaarheid (criterium B5) blijkt uit een onvermogen om onbelangrijke externe prikkels buiten te sluiten (bijvoorbeeld de kleding van de clinicus, geluiden of gesprekken op de achtergrond, meubels in de kamer). Mensen met een manie kunnen hierdoor vaak moeilijk een rationeel gesprek voeren of aanwijzingen volgen.
De verhoogde doelgerichte activiteit (criterium B6) bestaat vaak uit overmatig plannen maken en deelname aan veelvuldige activiteiten, waaronder seksuele, beroepsmatige, politieke of religieuze. Vaak is er sprake van verhoogd(e) seksueel verlangen, fantasieën en gedrag. Mensen met een manische episode hebben meestal een verhoogde sociabiliteit (zij zoeken bijvoorbeeld onverwacht contact met oude bekenden, of bellen of bezoeken vrienden, of zelfs vreemden), zonder rekening te houden met de opdringerige, overheersende en veeleisende aard van deze interacties. Sommigen schrijven uitgebreide brieven, e-mails, sms’jes enzovoort, over uiteenlopende onderwerpen naar vrienden, publieke figuren of de media. Vaak vertonen zij ook psychomotorische agitatie of rusteloosheid (doelloze activiteit) door te ijsberen of meerdere conversaties tegelijk te voeren.
Het criterium verhoogde activiteit is bij kinderen vaak lastig vast te stellen; wanneer het kind echter veel taken gelijktijdig onderneemt, ineens uitgebreide en onrealistische plannen beraamt, seksuele preoccupaties ontwikkelt die het voorheen niet had en die niet overeenkomen met het ontwikkelingsniveau (en die niet kunnen worden toegeschreven aan seksueel misbruik of blootstelling aan pornografisch materiaal), kan op basis van een klinisch oordeel aan criterium B zijn voldaan. Het is belangrijk te bepalen of het gedrag afwijkt van hoe het kind zich normaal gedraagt, of het gedrag zich gedurende de vereiste periode vrijwel dagelijks gedurende het grootste deel van de dag voordoet, en of het gelijktijdig optreedt met andere symptomen van manie.
De expansieve stemming, het overmatige optimisme, de grandiositeit en het gestoorde oordeelsvermogen leiden vaak tot onbesuisde acties als extravagante uitgaven, weggeven van bezittingen, roekeloos rijden, onbezonnen zakelijke investeringen en seksuele onbezonnenheid die ongewoon is voor de betrokkene, ondanks dat er alle kans is dat deze activiteiten catastrofale gevolgen zullen hebben (criterium B7). De betrokkene kan onnodige aankopen doen zonder daarvoor het geld te hebben en geeft deze soms weg. De seksuele onbezonnenheid kan ook vreemdgaan of willekeurige seksuele contacten met onbekenden inhouden, waarbij de betrokkene de interpersoonlijke consequenties of het risico op een seksueel overdraagbare aandoening vaak negeert.
Een manische episode moet tot een duidelijke beperking in het sociale of beroepsmatige functioneren leiden (bijvoorbeeld financiële verliezen, verlies van werk, onderpresteren op school, echtscheiding) of opname in een ziekenhuis noodzakelijk maken om schade voor zichzelf of anderen te voorkomen (bijvoorbeeld fysieke uitputting, hyperthermie, zichzelf letsel toebrengen). Bij aanwezigheid van psychotische kenmerken tijdens een manische episode is per definitie aan criterium C voldaan.
Manische symptomen of syndromen die zijn toe te schrijven aan de directe fysiologische effecten van een drug (bijvoorbeeld bij intoxicatie door cocaïne of amfetamine), de bijwerkingen van geneesmiddelen of behandelingen (bijvoorbeeld steroïden, levodopa, antidepressiva, stimulantia), of aan een somatische aandoening, mogen geen rol hebben bij de toekenning van de classificatie bipolaire-I-stoornis. Een manische episode die weliswaar begint tijdens een behandeling (bijvoorbeeld met geneesmiddelen, elektroconvulsietherapie of lichttherapie), maar blijft bestaan wanneer de fysiologische effecten daarvan zijn uitgewerkt (bijvoorbeeld wanneer de medicatie volledig uit het systeem van de betrokkene is verdwenen of de effecten van elektroconvulsietherapie naar verwachting volledig verdwenen zouden moeten zijn), levert wel voldoende bewijs dat het om een manische episode gaat die het gevolg is van een bipolaire-I-stoornis (criterium D). Hierbij is voorzichtigheid geboden, omdat de aanwezigheid van één of twee symptomen (vooral verhoogde prikkelbaarheid, opvliegendheid of agitatie na het gebruik van antidepressiva) niet voldoende is om de classificatie manische of hypomanische episode toe te kennen, en niet per se een indicatie is dat iemand aanleg heeft voor een bipolaire-stemmingsstoornis. Hoewel niet cruciaal voor de classificatie bipolaire-I-stoornis, treden hypomanische of depressieve episoden vaak voor of na een manische episode op. De volledige beschrijving van de diagnostische kenmerken van een hypomanische episode zijn te vinden in de tekst over de bipolaire-II-stoornis; de kenmerken van een depressieve episode worden bij depressieve stoornissen beschreven.