De piekleeftijd voor het ziektebegin van een bipolaire-I-stoornis ligt in alle onderzoeken tussen 20 en 30 jaar, maar het ziektebegin kan zich op ieder moment van het leven voordoen. De gemiddelde leeftijd bij aanvang van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis volgens de DSM-5 is in de Verenigde Staten 22 jaar, en is iets lager bij vrouwen (21,5 jaar) dan bij mannen (23,0 jaar). In een vergelijking van zes internationale locaties was de mediane leeftijd bij aanvang van een bipolaire-I-stoornis volgens de DSM-IV-TR 24,3 jaar. Het toekennen van de classificatie vereist bij kinderen bijzondere overwegingen. Aangezien kinderen van dezelfde ka­len­der­leef­tijd zich op verschillende ont­wik­ke­lings­ni­veaus kunnen bevinden, is het moeilijk exact te bepalen wat op enig moment ‘normaal’ is en ‘binnen de verwachting ligt’. Daarom moet bij ieder kind op basis van zijn of haar eigen normale functioneren (uitgangswaarde) worden beoordeeld of bepaald gedrag ‘normaal’ is, of kan worden opgevat als een teken van een manische episode. Hoewel het ziektebegin zich zelfs bij zestigers en zeventigers kan voordoen, dient rekening te worden gehouden met somatische aandoeningen (bijvoorbeeld een frontotemporale neurocognitieve stoornis) en met inname of onttrekking van een middel als de manische symptomen (bijvoorbeeld seksuele of sociale ontremming) voor het eerst op late middelbare leeftijd of op hogere leeftijd ontstaan.

Meer dan 90% van de mensen die een eenmalige manische episode ervaren, krijgt later te maken met terugkerende stem­mingsepi­so­den. Ongeveer 60% van de manische episoden doet zich vlak voor een depressieve episode voor. Mensen met een bipolaire-I-stoornis die in het voorgaande jaar meerdere (vier of meer) stem­mingsepi­so­den (depressieve, manische of hypomanische) hebben ervaren, krijgen de specificatie ‘met rapid cycling’, een veelvoorkomende variant met slechtere uitkomst. Ongeveer de helft van de mensen met een bipolaire stoornis vertoont een dominante polariteit (terugval neigend naar ofwel depressief ofwel manisch), waarbij in één internationaal onderzoek naar de bipolaire-I-stoornis 31,3% met overwegend manie werd gevonden, 21,4% met overwegend depressiviteit, en 47,3% zonder po­la­ri­teits­do­mi­nan­tie.

Het beloop van de bipolaire-I-stoornis is zeer heterogeen. Er zijn enkele patronen in episoden waargenomen (zo kan een manische episode met psychotische kenmerken verband houden met psychotische kenmerken in volgende manische episoden). De polariteit van de eerste episode lijkt verbonden te zijn met de dominante polariteit van toekomstige episoden en met bepaalde klinische kenmerken (zo vertoont een begin met depressiviteit samenhang met een groter aandeel van depressieve episoden en suïcidaal gedrag). De aanwezigheid van gemengde kenmerken in een manische episode hangt samen met een slechtere prognose, met een slechtere respons op lithium en met suïcidaal gedrag.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.