Ongeveer 5 tot 6% van de mensen met schizofrenie overlijdt als gevolg van suïcide, ongeveer 20% doet op enig moment een suïcidepoging, en een veel grotere groep heeft geregeld suïcidale gedachten. Soms treedt het suïcidale gedrag op in reactie op hallucinaties met de opdracht zichzelf of anderen kwaad te doen. Zowel mannen als vrouwen hebben levenslang een hoog risico op suïcide, maar één groep springt er in dit opzicht uit, en dat zijn jongere mannen met comorbide middelenmisbruik. Andere risicofactoren zijn onder andere depressieve symptomen, gevoelens van wanhoop en werkloosheid. Het risico is hoger in de periode na een psychotische episode of ontslag na een opname. Ook is het risico gerelateerd aan het aantal psychiatrische opnames en hoe kort geleden de ziekte begon. Een hogere leeftijd bij het ziektebegin is eveneens een risicofactor. Uit een systematische review en meta-analyse van longitudinale onderzoeken is gebleken dat de kans op suïcidaal gedrag tijdens het vervolg van de eerste psychotische episode hoger is bij mensen die tijdens deze eerste psychotische episode depressieve symptomen hadden dan bij mensen die deze niet hadden. Uit een meta-analyse van een groot aantal onderzoeken naar de relatie tussen schizofrenie en suïcidaal gedrag bleek dat het risico op suïcidepogingen is verhoogd bij alcohol- en tabaksgebruik, middelenmisbruik, depressiviteit, het aantal opnames, somatische comorbiditeit en een familiegeschiedenis met depressiviteit en suïcidaal gedrag. Overige risicofactoren voor suïcide waren onder andere: de mannelijke sekse, een jongere leeftijd, een hoger IQ, suïcidepogingen in de anamnese, wanhopige gevoelens, en lage therapietrouw.