Mensen met schizofrenie kunnen inadequaat affect laten zien (bijvoorbeeld lachen in de afwezigheid van een bijpassende stimulus); een verstoorde stemming hebben in de vorm van depressiviteit, angst of boosheid; een verstoord slaappatroon hebben (bijvoorbeeld overdag slapen en ’s nachts actief zijn); en een gebrek aan belangstelling hebben voor voedsel, of voedsel weigeren. De­per­so­na­li­sa­tie, derealisatie en lichamelijke symptomen kunnen optreden en soms het karakter van een waan krijgen. Angst en fobieën komen vaak voor. Ook cognitieve deficiënties worden veel gezien bij schizofrenie, en hangen sterk samen met de beperkingen in het functioneren in studie en werk. Deze tekorten kunnen zijn: achteruitgang van het declaratieve geheugen, het werkgeheugen, de taal en executieve functies, en een langzamer ver­wer­kings­tem­po. Verder worden afwijkingen gezien in zintuiglijke verwerking en het vermogen tot inhibitie, evenals een afgenomen aandacht. Sommige mensen met schizofrenie vertonen tekorten in de sociaal-cognitieve functie, bijvoorbeeld in het vermogen om de intenties van andere mensen te lezen (theory of mind), en kunnen aandacht schenken aan irrelevante gebeurtenissen en stimuli en deze vervolgens interpreteren als betekenisvol, wat dan weer zou kunnen leiden tot het genereren van verklarende wanen. Deze beperkingen blijven in perioden van symp­toom­re­mis­sie vaak bestaan.

Sommige mensen met een psychose hebben geen besef van of inzicht in hun stoornis. Dit gebrek aan ziektebesef betekent dat ze zich niet bewust zijn van de symptomen van schizofrenie. Het kan het gehele ziektebeloop blijven bestaan. Gebrek aan ziektebesef is vaker een symptoom van de schizofrenie zelf dan een copingstrategie. Het is vergelijkbaar met het gebrek aan besef van neurologische uit­vals­ver­schijn­se­len na een her­sen­be­scha­di­ging, anosognosie genoemd. Dit symptoom is de meest voorkomende voorspeller van een gebrek aan medewerking aan de behandeling en voorspelt hogere te­rug­val­per­cen­ta­ges, een toename in het aantal onvrijwillige behandelingen, slechter psychosociaal functioneren, agressie en een ongunstiger ziektebeloop.

Vijandigheid en agressie kunnen voorkomen bij schizofrenie, hoewel spontaan of willekeurig geweld zeldzaam is. Agressie komt vaker voor bij jonge mannen en bij mensen met een voor­ge­schie­de­nis van geweldpleging, gebrek aan medewerking aan de behandeling, mid­de­len­mis­bruik en impulsiviteit. Wel moet worden opgemerkt dat de overgrote meerderheid van de mensen met schizofrenie niet agressief is en vaker dan de rest van de bevolking zelf slachtoffer wordt van geweld.

Op dit moment bestaan er geen radiologische, laboratorium- of psychometrische tests voor het vaststellen van de stoornis. Wel zijn er duidelijke verschillen in meerdere hersengebieden tussen groepen gezonde mensen en mensen met schizofrenie, zoals blijkt uit beeldvormend, neu­ro­pa­tho­lo­gisch en neu­ro­fy­si­o­lo­gisch onderzoek. Ook zijn er in verschillende hersengebieden, zoals de frontale en de temporale cortex, verschillen in de cellulaire architectuur, de connectiviteit van de witte stof en het volume van de grijze stof. Verder is een minder grote totale herseninhoud aangetoond, evenals een sterkere afname van de herseninhoud met het ouder worden. Dit laatste is meer uitgesproken bij mensen met schizofrenie dan bij gezonde mensen. Tot slot lijken mensen met schizofrenie te verschillen van mensen die de ziekte niet hebben bij onderzoek van oogbewegingen en elek­tro­fy­si­o­lo­gi­sche maten.

Neurologische soft signs die veel worden gezien bij mensen met schizofrenie zijn beperkingen in de motorische coördinatie, de sensorische integratie, en de motorische sequentie bij complexe bewegingen; links-rechts­des­o­ri­ën­ta­tie; en ontremming van geassocieerde bewegingen. Ook kunnen kleine afwijkingen van het gezicht en de ledematen voorkomen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.