Omgeving Er is een verband beschreven tussen het geboortejaargetijde en de incidentie van schizofrenie; laat in de winter/vroeg in het voorjaar op sommige locaties, en in de zomer voor de gedesorganiseerde vorm van de ziekte.
De incidentie van schizofrenie en verwante stoornissen is mogelijk hoger voor kinderen die in een stedelijke omgeving opgroeien, voor vluchtelingen, voor sommige migrantengroepen, en voor groepen die met maatschappelijke onderdrukking en discriminatie te kampen hebben. Er zijn aanwijzingen voor een verband tussen sociale exclusie, sociaal-structurele problemen en sociaaleconomische factoren enerzijds en verhoogde percentages van deze stoornis anderzijds. Bij mensen met schizofrenie en andere psychotische stoornissen blijkt een correlatie te bestaan tussen de ernst van de positieve en negatieve symptomen en de ernst van negatieve jeugdervaringen, zoals psychotrauma en verwaarlozing. Bij sommige etnische en geracialiseerde groepen zijn hogere percentages schizofrenie gedocumenteerd wanneer mensen uit deze groepen in een gebied wonen waarin het percentage mensen van dezelfde etnische of geracialiseerde afkomst lager is. De redenen hiervoor zijn niet geheel duidelijk, maar er lijken verschillende factoren aan ten grondslag te liggen, waaronder: (1) een hoger niveau van discriminatie of angst voor discriminatie; (2) minder sociale steun en meer stigmatisering van mensen met schizofrenie; (3) een groter sociaal isolement; en (4) minder beschikbaarheid van en toegang tot normaliserende verklaringen voor perceptuele ervaringen en afwijkende overtuigingen van mensen met een hoog risico op het ontwikkelen van schizofrenie.
Genetica en fysiologie Genetische factoren leveren een sterke bijdrage aan het bepalen van het risico op schizofrenie, hoewel in de familiegeschiedenis van de meeste mensen bij wie schizofrenie is vastgesteld geen psychosen voorkomen. De genetische kwetsbaarheid wordt afgeleid uit een spectrum van risicoallelen, die algemeen voorkomend of zeldzaam kunnen zijn; ieder allel draagt bij aan slechts een klein percentage van de totale variantie in de populatie. De tot nu toe gevonden risicoallelen hangen ook samen met andere psychische stoornissen, zoals bipolaireen depressieve-stemmingsstoornissen en de autismespectrumstoornis.
Complicaties rondom zwangerschap en geboorte, zuurstofgebrek tijdens de geboorte en een hogere leeftijd van de vader hangen samen met een hoger risico op schizofrenie voor de foetus in ontwikkeling. Andere pre- en perinatale complicaties die met schizofrenie in verband zijn gebracht, zijn stress, infecties, ondervoeding, diabetes en andere somatische aandoeningen van de moeder. De overgrote meerderheid van de nakomelingen met deze risicofactoren ontwikkelt echter geen schizofrenie.