De kenmerkende symptomen van schizofrenie omvatten een verscheidenheid van cognitieve, gedragsmatige en emotionele disfuncties, maar er is niet één symptoom dat op zichzelf pathognomonisch is voor de stoornis. Het clas­si­fi­ca­tie­pro­ces bestaat uit de herkenning van een combinatie van klachten en verschijnselen die gepaard gaan met een verslechtering van het beroepsmatige of sociale functioneren. Aangezien schizofrenie een heterogeen klinisch syndroom is, zijn er tussen verschillende mensen met de stoornis aanzienlijke onderlinge verschillen voor wat betreft de meeste kenmerken.

Minstens twee symptomen uit criterium A dienen gedurende een periode van één maand of langer een significant deel van de tijd aanwezig te zijn. Minstens één van deze symptomen moet zijn de duidelijke aanwezigheid van wanen (criterium A1), hallucinaties (criterium A2) of ge­des­or­ga­ni­seerd spreken (criterium A3). Daarnaast kunnen ook ernstig ge­des­or­ga­ni­seerd of katatoon gedrag (criterium A4) en negatieve symptomen (criterium A5) aanwezig zijn. In die situaties waarin de actieve-fasesymptomen binnen een maand na behandeling herstellen, wordt, als de clinicus inschat dat deze zonder behandeling zouden zijn blijven bestaan, nog steeds voldaan aan criterium A.

Bij schizofrenie horen beperkingen in een of meer gebieden van het functioneren (criterium B). Als de stoornis begint tijdens de kindertijd of adolescentie, wordt het verwachte niveau van functioneren niet gehaald. Het kan dan helpen om het kind te vergelijken met broers en zussen die de stoornis niet hebben. Het disfunctioneren blijft tijdens een aanzienlijk deel van het ziektebeloop bestaan en lijkt geen direct gevolg te zijn van één enkel ziektekenmerk. Ini­ti­a­tief­ver­lies (een verminderde drijfveer om doelgericht gedrag te vertonen: criterium A5) hangt samen met het onder criterium B beschreven sociale disfunctioneren. Verder bestaan er sterke aanwijzingen dat er bij mensen met schizofrenie een verband bestaat tussen hun cognitieve beperking (zie de subparagraaf ‘Bijkomende kenmerken’ voor deze stoornis) en hun functionele beperking.

Sommige symptomen die duiden op de stoornis moeten minstens zes maanden zonder onderbrekingen aanhouden (criterium C). De actieve fase wordt vaak voorafgegaan door prodromale symptomen en kan worden gevolgd door restsymptomen, gekenmerkt door lichte of subklinische psychotische vormen van hallucinaties of wanen. Mensen kunnen allerlei ongebruikelijke of vreemde overtuigingen hebben die niet de proporties van een waan aannemen (zoals be­trek­kings­ge­dach­ten of magisch denken); ze kunnen ongewone perceptuele ervaringen hebben (bijvoorbeeld de aanwezigheid ervaren van een persoon die ze niet zien); wat ze zeggen kan over het algemeen begrijpelijk zijn, maar vaag; en gedrag kan ongebruikelijk zijn, maar niet ernstig ge­des­or­ga­ni­seerd (zoals mompelen in het openbaar). Negatieve symptomen komen veel voor in de prodromale en restfasen, en kunnen ernstig zijn. Mensen die voorheen sociaal actief waren, kunnen zich terugtrekken uit hun vroegere routines. Dit soort gedrag is vaak het eerste signaal van de stoornis.

Stem­mings­symp­to­men en volledige stem­mingsepi­so­den komen geregeld voor bij schizofrenie en kunnen gelijktijdig optreden met actieve-fasesymptomen. Echter, ter onderscheiding van een psychotische stem­mings­stoor­nis, moeten bij schizofrenie de wanen of hallucinaties ook aanwezig zijn buiten de stem­mingsepi­so­den. Bovendien moeten de stem­mingsepi­so­den in totaal aanwezig zijn gedurende minder dan de helft van de totale duur van de actieve en restperioden van de ziekte.

Behalve de vijf in de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria genoemde symp­toom­do­mei­nen is onderzoek naar de symp­toom­do­mei­nen cognitie, depressie en manie van groot belang om het cruciale onderscheid te kunnen maken tussen de diverse schi­zo­fre­nies­pec­tru­men andere psychotische stoornissen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.