De geschatte levenslange prevalentie van schizofrenie is ongeveer 0,3–0,7%, met variatie tot een vijfvoudige marge in meta-analyses van landelijk representatieve onderzoeken. Uit onderzoek is gebleken dat de prevalentie en incidentie van schizofrenie voor sommige groepen verhoogd zijn op grond van migratie- en vluchtelingenstatus, stedelijkheid, en de economische status en geografische breedtegraad van het land. Hierbij moet worden opgemerkt dat de gerapporteerde prevalentie en incidentie van schizofrenie kunnen zijn beïnvloed door het feit dat sommige groepen meer kans hebben op een verkeerde diagnose of overdiagnosticering.
De geslachtsverhouding verschilt per steekproef en bevolkingsgroep: zo wordt een hogere incidentie bij mannen gezien wanneer negatieve symptomen op de voorgrond staan en de stoornis langer duurt (gepaard gaand met een slechtere uitkomst), terwijl de risico’s voor beide geslachten even groot zijn wanneer stemmingssymptomen en kortdurende beelden (gepaard gaand met een betere uitkomst) in de definitie van schizofrenie worden geïncludeerd. In een groot wereldwijd onderzoek, gebaseerd op een groot aantal definities van schizofrenie, werd geen verschil in prevalentie tussen de geslachten gevonden.