De vereiste psychotische kenmerken voor de classificatie schizofrenie ontstaan in de meeste gevallen in de periode tussen de late tienerjaren en halverwege de 30; deze kenmerken beginnen zelden eerder dan de adolescentie. De piekbeginleeftijd bedraagt voor mannen begin 20 en voor vrouwen eind 20. Het begin kan abrupt zijn of sluipend, maar bij de meerderheid van de patiënten is sprake van een langzame en geleidelijke ontwikkeling van een verscheidenheid van klinisch significante klachten en verschijnselen, met name sociale terugtrekking, emotionele veranderingen, en cognitieve veranderingen met negatieve gevolgen voor het rolfunctioneren. De helft van deze personen vertoont depressieve symptomen. Zowel duur en ernst van de ziekte als geslacht hebben invloed op de prognose. Mannen hebben meer prominente negatieve symptomen, cognitieve beperkingen en doorgaans slechtere functionele uitkomsten dan vrouwen, met name wanneer aan de behandeling een langdurige psychose voorafgaat en er sprake is van geringe premorbide aanpassing. Tijdens de ontwikkeling kunnen zich beperkingen in het sociaal-cognitieve functioneren manifesteren, die vóór het ontstaan van een psychose optreden en tijdens de volwassenheid de vorm aannemen van blijvende beperkingen, die refractair zijn voor antipsychotica.
Het beloop en de uitkomsten van schizofrenie zijn heterogeen en bij het ontstaan van psychosen is de prognose onzeker. Hoewel de meeste mensen met schizofrenie kwetsbaar blijven voor exacerbatie van psychotische symptomen en er gewoonlijk sprake is van een chronisch symptomatisch beloop met functionele beperkingen, beleven veel mensen perioden van remissie en zelfs herstel. Volgens een metaanalyse van 79 longitudinale onderzoeken naar eerste psychotische episoden met een vervolgonderzoek van meer dan een jaar, was het gecombineerde remissiepercentage (kwalitatief gedefinieerd als ‘lichte’ of ‘afwezige’ symptomen gedurende minstens zes maanden) 56%. Voor schizofrenie met een eerste psychotische episode was het gecombineerde herstelpercentage (kwalitatief gedefinieerd als langer dan twee jaar symptomatische en functionele verbetering) 30%. In een andere meta-analyse van vijftig onderzoeken onder personen met ruim gedefinieerde schizofrenie (dat wil zeggen: schizofrenie, schizofreniforme stoornis, schizoaffectieve stoornis of waanstoornis) was het mediaan percentage van de mensen die voldeden aan de herstelcriteria (hoogstens lichte symptomen en verbeteringen in het sociaal en/of beroepsmatig functioneren die minstens twee jaar aanhielden) 13,5%. De psychotische ervaringen neigen op latere leeftijd af te nemen. Naast psychosen behoren ook cognitieve beperkingen en negatieve symptomen tot de kerncriteria van schizofrenie. Het beloop van deze karakteristieke kenmerken is niet hetzelfde als dat van de positieve psychotische symptomen. De cognitieve functies neigen tijdens de ontwikkeling voorafgaand aan een volledige psychose af te nemen en zijn op langere termijn relatief stabiel. Ook de negatieve symptomen, indien aanwezig tijdens de ontwikkeling, zijn in de loop van de tijd relatief stabiele eigenschappen. Negatieve symptomen die na het begin van een psychose ontstaan, zijn veranderlijker en kunnen wijzen op secundaire oorzaken. Voor de diagnose schizofrenie is een zekere mate van chroniciteit vereist, en bij veel mensen wijst een langdurig beloop op een behoefte aan geestelijke gezondheidszorg en levensbegeleiding. Hoewel schizofrenie over het algemeen geen progressieve neurodegeneratieve stoornis is, kunnen uitdagingen in het leven van de betrokkene, verandering van leefstijl en aanhoudende symptomen in de ernstiger chronische gevallen tot progressief disfunctioneren leiden.
Voor de kindertijd gelden dezelfde hoofdkenmerken van schizofrenie, maar op deze leeftijd is het moeilijker om de stoornis vast te stellen. Wanen en hallucinaties kunnen bij kinderen minder uitgekristalliseerd zijn dan bij volwassenen, en visuele hallucinaties komen bij kinderen meer voor en moeten worden onderscheiden van normaal fantasiespel. Gedesorganiseerd spreken komt bij vele stoornissen met begin tijdens de kindertijd voor (bijvoorbeeld bij de autismespectrumstoornis), en dat geldt ook voor gedesorganiseerd gedrag (bijvoorbeeld bij de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis). Deze symptomen moeten niet worden toegeschreven aan schizofrenie zonder eerst de vaker voorkomende stoornissen van de kindertijd te overwegen. Gevallen met begin tijdens de kindertijd lijken over het algemeen op volwassen gevallen met een slechte uitkomst, dat wil zeggen met een geleidelijk begin en prominent aanwezige negatieve symptomen. Kinderen die op latere leeftijd schizofrenie krijgen, hebben daarvoor vaker niet-specifieke emotionele en gedragsproblemen en psychiatrische symptomen gehad, evenals veranderingen in hun intellectuele en taalvermogens, en hebben vaker subtiele motorische achterstanden.
Gevallen met een laat begin (na de leeftijd van 40 jaar) komen vaker voor bij vrouwen, die ook getrouwd kunnen zijn. Het beloop van deze groep wordt vaak gekenmerkt door overwegend psychosesymptomen met behoud van normaal affect en sociaal functioneren. Dergelijke gevallen met een laat begin kunnen nog steeds voldoen aan de criteria voor schizofrenie, maar het is nog niet duidelijk of het echt om dezelfde aandoening gaat als schizofrenie die voor middelbare leeftijd wordt vastgesteld, bijvoorbeeld voor de leeftijd van 40 jaar.