Populatieschattingen variëren, afhankelijk van de steekproeven die genomen worden en de criteria die gehanteerd worden. Uit onderzoeken in meerdere landen blijkt dat ongeveer een derde van de volwassenen insomniaklachten heeft; dat 10 tot 15% de daarmee gepaard gaande beperkingen overdag ervaart; en dat 4 tot 22% symptomen heeft die aan de criteria voor de insomniastoornis voldoen, waarbij het gemiddelde ongeveer 10% is. Van alle slaapstoornissen komt de insomniastoornis het meest voor. In de eerste lijn rapporteert ongeveer 20 tot 40% van de mensen wereldwijd significante insomniaklachten. Voor somatische en psychiatrische patiënten zijn de prevalentiecijfers aanzienlijk hoger dan die voor de algemene bevolking, vooral bij mensen met stemmings- en angststoornissen of stoornissen in het gebruik van een middel. Zo’n 40 tot 50% van de mensen met een insomniastoornis heeft een comorbide psychische stoornis. Bij vrouwen is insomnia een meer prevalente klacht dan bij mannen, met een genderverhouding van 1,3:1 in multinationale steekproeven. Na de leeftijd van 45 jaar stijgt de genderverhouding tot 1,7:1. In Noorwegen is de prevalentie onder oudere adolescenten (16–18 jaar) bij meisjes bijna twee keer zo hoog als die bij jongens. Insomnia kan als symptoom of als afzonderlijke stoornis optreden, maar wordt het meest waargenomen als een comorbide aandoening bij een somatische of psychische aandoening.