Hoofdkenmerk van de insomniastoornis is de onvrede over de kwantiteit of kwaliteit van de slaap met daarbij slecht kunnen inslapen of doorslapen. De slaapklachten gaan gepaard met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen. De klachten kunnen gedurende het beloop van een andere psychische stoornis of somatische aandoening optreden, of opzichzelfstaand voorkomen.
Verschillende manifestaties van insomnia kunnen op verschillende tijdstippen van de slaapperiode optreden. Bij insomnia heeft de betrokkene moeite met inslapen en/of doorslapen en/of opnieuw inslapen na het te vroeg eindigen van de slaap. In een nationale steekproef van deelnemers aan een zorgverzekering in de Verenigde Staten bleek moeite met doorslapen voor ongeveer 60% van de mensen met insomnia het meest voorkomende opzichzelfstaande insomniasymptoom te zijn, gevolgd door vroeg wakker worden en moeite met inslapen. In het algemeen melden de meeste betrokkenen zich aan met een combinatie van deze klachten. Het specifieke type slaapklacht verschilt vaak in de loop van de tijd. Mensen die in eerste instantie moeite hebben met inslapen, kunnen later moeite hebben met doorslapen, en omgekeerd. Klachten als slecht kunnen inslapen en moeite hebben met doorslapen kunnen worden gekwantificeerd door retrospectieve zelfrapportage van de betrokkene, slaapdagboeken waarin prospectief informatie wordt verzameld, of andere methoden, zoals actigrafie of polysomnografie. De classificatie insomniastoornis wordt echter gebaseerd op de subjectieve waarneming van het slapen door de betrokkene zelf of op een verslag van een naaste. Subjectieve rapportages van mensen met een insomniastoornis wijzen vaak op een langere slaaplatentietijd, langer wakker liggen tijdens de nacht en een kortere totale slaaptijd dan aangetoond kan worden met objectieve (bijvoorbeeld polysomnografische) gegevens. De redenen voor deze discrepantie worden niet goed begrepen, maar men veronderstelt dat verstoringen in de onderliggende neurofysiologie die duiden op hyperarousal of corticale activering een rol spelen.
Niet-restauratieve (niet-verkwikkende) slaap, waarbij de kwaliteit van de slaap slecht is en de betrokkene niet uitgerust wakker wordt ondanks voldoende uren slaap, is een veelvoorkomende slaapklacht die meestal optreedt in combinatie met slecht kunnen in- of doorslapen, of die, minder frequent, als een opzichzelfstaande klacht voorkomt. De precieze relatie tussen niet-restauratieve slaap als geïsoleerd optredende klacht en de insomniastoornis blijft onduidelijk. De prevalentie van deze klacht is naar schatting ongeveer 5%; in tegenstelling tot insomnia wordt nietrestauratieve slaap vaker gerapporteerd door jongeren. Deze klacht kan ook worden gemeld in samenhang met een andere slaapstoornis (bijvoorbeeld een ademhalingsgerelateerde slaapstoornis). Wanneer een klacht van niet-restauratieve slaap geïsoleerd optreedt (in afwezigheid van moeite met inslapen en/of doorslapen of andere slaap-waakstoornissen), wordt de classificatie andere gespecificeerde slaap-waakstoornis toegekend.
Naast de frequentie- en duurcriteria die nodig zijn voor het toekennen van de classificatie, kunnen aanvullende richtlijnen nodig zijn voor kwantificering van de ernst van de insomnia. Deze kwantitatieve richtlijnen, die arbitrair zijn, worden alleen als toelichting gebruikt. Zo wordt moeite met inslapen gedefinieerd als een subjectieve slaaplatentietijd van meer dan 20–30 minuten, en moeite met doorslapen wordt gedefinieerd als een subjectieve tijd van wakker zijn na de aanvang van de slaapperiode van meer dan 20–30 minuten. Er bestaat geen standaarddefinitie voor het zeer vroeg in de ochtend ontwaken, maar bij deze klacht ontwaakt de betrokkene minstens één uur voor het geplande tijdstip van ontwaken en voordat een totale slaaptijd van 6,5 uur is bereikt. Het is essentieel dat daarbij niet alleen rekening wordt gehouden met het uiteindelijke tijdstip van wakker worden, maar ook met het tijdstip van naar bed gaan de avond ervoor. Wakker worden om 4.00 uur ’s ochtends heeft niet dezelfde klinische betekenis bij mensen die om 21.00 uur naar bed gaan als bij degenen die om 23.00 uur naar bed gaan. Dit type klacht kan ook een signaal zijn van een aan de leeftijd gebonden vermindering van het vermogen om door te slapen, of van een leeftijdsgebonden verschuiving in de timing van de nachtelijke slaap.
Hoewel deze kwantitatieve criteria vaak in onderzoeksontwerpen worden gebruikt, kan hiermee niet op zichzelf op betrouwbare wijze onderscheid gemaakt worden tussen mensen met insomnia en normale slapers. Bovendien kunnen mensen van wie het beeld niet langer voldoet aan de subjectieve classificatiecriteria voor de insomniastoornis, door het gebruik van deze parameters een objectieve stoornis blijven vertonen, evenals beperkingen overdag.
Tot de insomniastoornis behoren zowel beperkingen in het functioneren overdag als slaapproblemen ’s nachts. Tot deze problemen behoren vermoeidheid of, minder vaak voorkomend: slaperigheid overdag. Dit laatste komt vaker voor bij ouderen en wanneer de insomnia gelijktijdig optreedt bij een somatische aandoening (bijvoorbeeld chronische pijn) of een andere slaapstoornis (bijvoorbeeld een slaapapneusyndroom). Beperkingen in de cognitieve prestaties zijn bijvoorbeeld moeite met de aandacht richten, de concentratie en het geheugen, en problemen met het uitvoeren van complexe handelingen. Bijkomende stemmingsstoornissen worden gewoonlijk omschreven als prikkelbaarheid of stemmingslabiliteit en minder vaak als klachten van depressiviteit of angst. Niet alle mensen met slaapproblemen ’s nachts lijden daaronder of ervaren een beperking in het functioneren. Zo wordt de slaap geregeld onderbroken bij gezonde oudere volwassenen die zichzelf niettemin als goede slapers omschrijven. De classificatie insomniastoornis moet worden gereserveerd voor mensen bij wie de lijdensdruk of de beperking in het functioneren overdag gerelateerd is aan hun slaapproblemen ’s nachts.