In­som­ni­a­stoor­nis

Insomnia disorder

F51.0

CLASSIFICATIECRITERIA

ADe voornaamste klacht betreft ontevredenheid over de kwantiteit of kwaliteit van de slaap, gepaard gaand met een (of meer) van de volgende symptomen:

1Moeite met inslapen. (Bij kinderen kan dit zich manifesteren als moeite met inslapen zonder hulp van de ouder of verzorger.)

2Moeite met doorslapen, gekenmerkt door frequente tussentijdse ontwaakmomenten of problemen met weer inslapen na de tussentijdse ontwaakmomenten. (Bij kinderen kan dit zich manifesteren als moeite met weer inslapen zonder hulp van de ouder of verzorger.)

3’s Morgens vroeg wakker worden en niet meer verder kunnen slapen.

In de DSM-5 is het begrip ontevredenheid over de slaap geïntegreerd in de definitie van insomnia. Er zijn aanwijzingen dat mensen die niet alleen in­som­nia­k­lach­ten hebben maar ook ontevreden zijn over de slaap, overdag aanzienlijk vaker beperkingen ervaren dan mensen die alleen in­som­nia­k­lach­ten hebben. Vandaar dat de toevoeging van ontevredenheid over de slaap in de definitie van insomnia waarschijnlijk zal leiden tot een verbetering van de diagnostische specificiteit. Door deze verandering wordt mogelijk ook de detectie verbeterd van klinisch significante insomnia onder subgroepen van mensen (bijvoorbeeld ouderen) die doorgaans naast in­som­nia­k­lach­ten weinig lijdensdruk of beperkingen melden, maar die wel ontevreden zijn over hun slaap. Criterium A vereist ontevredenheid over de kwantiteit of kwaliteit van het inslapen, doorslapen of ’s morgens vroeg wakker worden. Bovendien wordt in dit criterium expliciet vermeld hoe dit vereiste kan verschillen bij kinderen, namelijk dat kinderen moeite kunnen hebben met inslapen of doorslapen zonder hulp van de ouder of verzorger.

BDe slaapstoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Veel mensen met aanhoudende insomnia (bijvoorbeeld ouderen) bagatelliseren of onderschatten de impact van insomnia op hun functioneren overdag, wat deels te wijten is aan het gebrek aan duidelijke indicatoren voor dergelijke beperkingen. Dit leidt waarschijnlijk tot on­der­di­a­gnos­tiek en een gebrek aan behandeling. Het toevoegen van specifieke voorbeelden van beperkingen in de paragraaf ‘Diagnostische kenmerken’ verbetert mogelijk de beoordeling en kan ertoe leiden dat de gevolgen van insomnia op het functioneren overdag veel meer worden onderkend.

CDe slaapstoornis komt minstens drie nachten per week voor.

Criterium C vereist dat de slaap­stoor­nis­sen minstens drie nachten per week aanwezig zijn (een aanvulling in de DSM-5). Deze minimale frequentie van drie nachten per week moet mensen die af en toe in­som­ni­asymp­to­men hebben (die niet volledig aan de criteria voldoen) onderscheiden van mensen met ernstige in­som­nia­k­lach­ten. De indices voor sensitiviteit en specificiteit zijn gemaximaliseerd (dat wil zeggen: een correcte identificatie van echte in­som­nia­ge­val­len en een correcte uitsluiting van fout-positieve gevallen), waarbij de frequentie van de insomnia is vastgesteld op drie tot vier nachten per week. Ook dit fre­quen­tie­cri­te­ri­um is in overeenstemming met de criteria die gebruikt worden in de ICD-10 en in moderne veldonderzoeken. Er zijn aanwijzingen dat de frequentie waarmee in­som­ni­asymp­to­men optreden een belangrijke determinant is van de morbiditeit en beperkingen.

De minimale duur van drie maanden (criterium D) is een verandering ten opzichte van het vereiste in de DSM-IV van één maand, dat wel erg kort was om insomnia te definiëren als een chronische stoornis. Ter vergelijking: slechts weinig psychische stoornissen of somatische aandoeningen worden vóór een duur van zes of twaalf maanden als chronisch beschouwd. Insomnia die slechts één maand duurt kan beter worden opgevat als een episode in plaats van een stoornis. Bij insomnia die langer dan drie maanden duurt, kan de morbiditeit ook toenemen.

DDe slaapstoornis is minstens drie maanden aanwezig.

Criterium C vereist dat de slaap­stoor­nis­sen minstens drie nachten per week aanwezig zijn (een aanvulling in de DSM-5). Deze minimale frequentie van drie nachten per week moet mensen die af en toe in­som­ni­asymp­to­men hebben (die niet volledig aan de criteria voldoen) onderscheiden van mensen met ernstige in­som­nia­k­lach­ten. De indices voor sensitiviteit en specificiteit zijn gemaximaliseerd (dat wil zeggen: een correcte identificatie van echte in­som­nia­ge­val­len en een correcte uitsluiting van fout-positieve gevallen), waarbij de frequentie van de insomnia is vastgesteld op drie tot vier nachten per week. Ook dit fre­quen­tie­cri­te­ri­um is in overeenstemming met de criteria die gebruikt worden in de ICD-10 en in moderne veldonderzoeken. Er zijn aanwijzingen dat de frequentie waarmee in­som­ni­asymp­to­men optreden een belangrijke determinant is van de morbiditeit en beperkingen.

De minimale duur van drie maanden (criterium D) is een verandering ten opzichte van het vereiste in de DSM-IV van één maand, dat wel erg kort was om insomnia te definiëren als een chronische stoornis. Ter vergelijking: slechts weinig psychische stoornissen of somatische aandoeningen worden vóór een duur van zes of twaalf maanden als chronisch beschouwd. Insomnia die slechts één maand duurt kan beter worden opgevat als een episode in plaats van een stoornis. Bij insomnia die langer dan drie maanden duurt, kan de morbiditeit ook toenemen.

EDe slaapstoornis treedt op terwijl er wel voldoende gelegenheid is om te slapen.

Dit criterium vereist dat de slaapstoornis optreedt ondanks dat de betrokkene voldoende gelegenheid heeft om te slapen. Dit criterium is toegevoegd om klinische insomnia te onderscheiden van vrijwillige slaapdeprivatie.

FDe insomnia kan niet beter worden verklaard door en komt niet uitsluitend voor in het beloop van een andere slaap-waakstoornis (bijvoorbeeld narcolepsie, een adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaapstoornis, een circadianeritme-slaap­waak­stoor­nis, een parasomnia).

Deze criteria dienen om andere psychische stoornissen en somatische aandoeningen uit te sluiten. De insomnia kan niet beter worden verklaard door een andere slaapstoornis, zoals narcolepsie (of niet uitsluitend voorkomen in het beloop van een andere slaapstoornis); kan niet worden toegeschreven aan de effecten van een middel (bijvoorbeeld cafeïne); en wordt niet beter verklaard door een co-existente somatische aandoening of psychische stoornis.

GDe insomnia kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie).

Deze criteria dienen om andere psychische stoornissen en somatische aandoeningen uit te sluiten. De insomnia kan niet beter worden verklaard door een andere slaapstoornis, zoals narcolepsie (of niet uitsluitend voorkomen in het beloop van een andere slaapstoornis); kan niet worden toegeschreven aan de effecten van een middel (bijvoorbeeld cafeïne); en wordt niet beter verklaard door een co-existente somatische aandoening of psychische stoornis.

HCo-existente psychische stoornissen en somatische aandoeningen kunnen niet adequaat de op de voorgrond staande insomniaklacht verklaren.

Deze criteria dienen om andere psychische stoornissen en somatische aandoeningen uit te sluiten. De insomnia kan niet beter worden verklaard door een andere slaapstoornis, zoals narcolepsie (of niet uitsluitend voorkomen in het beloop van een andere slaapstoornis); kan niet worden toegeschreven aan de effecten van een middel (bijvoorbeeld cafeïne); en wordt niet beter verklaard door een co-existente somatische aandoening of psychische stoornis.

Specificeer indien:

Met psychische stoornis, inclusief stoornissen in het gebruik van een middel.

Met somatische aandoening

Met andere slaapstoornis

Co­de­rings­aan­wij­zing De code F51.0 geldt voor alle drie de specificaties. Codeer en/of noteer ook de relevante bijkomende psychische stoornis, somatische aandoening of andere slaapstoornis om het verband aan te geven.

Gelijktijdig voorkomend(e) andere psychische stoornissen, middelengebruik en andere slaap­stoor­nis­sen kunnen worden gespecificeerd. Daarnaast zijn er drie specificaties voor het beloop van de in­som­ni­a­stoor­nis: episodisch (symptomen houden minstens één maand aan, maar korter dan drie maanden), persisterend (symptomen duren drie maanden of langer), en recidiverend (twee of meer episoden doen zich voor binnen het tijdsbestek van één jaar). Persisterende insomnia heeft ook gevolgen op de lange termijn, waaronder verhoogde risico’s op de depressieve stoornis, hypertensie en een myocardinfarct; een hoger ziekteverzuim en verminderde productiviteit op het werk; een verminderde kwaliteit van leven; en een toename in de financiële lasten.

Specificeer indien:

Episodisch Symptomen houden minstens één maand aan, maar duren korter dan drie maanden.
Persisterend Symptomen duren drie maanden of langer.
Recidiverend Twee (of meer) episoden binnen het tijdsbestek van één jaar.

Gelijktijdig voorkomend(e) andere psychische stoornissen, middelengebruik en andere slaap­stoor­nis­sen kunnen worden gespecificeerd. Daarnaast zijn er drie specificaties voor het beloop van de in­som­ni­a­stoor­nis: episodisch (symptomen houden minstens één maand aan, maar korter dan drie maanden), persisterend (symptomen duren drie maanden of langer), en recidiverend (twee of meer episoden doen zich voor binnen het tijdsbestek van één jaar). Persisterende insomnia heeft ook gevolgen op de lange termijn, waaronder verhoogde risico’s op de depressieve stoornis, hypertensie en een myocardinfarct; een hoger ziekteverzuim en verminderde productiviteit op het werk; een verminderde kwaliteit van leven; en een toename in de financiële lasten.

NB Acute en kortdurende insomnia (symptomen die minder dan drie maanden aanhouden, maar verder aan alle criteria voldoen voor frequentie, intensiteit, lijdensdruk en/of beperking in het functioneren) moet worden gecodeerd als een andere gespecificeerde in­som­ni­a­stoor­nis.

NB De classificatie in­som­ni­a­stoor­nis wordt niet alleen toegekend als de stoornis optreedt als een op­zich­zelf­staan­de aandoening, maar ook als die comorbide voorkomt bij een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de depressieve stoornis), een somatische aandoening (bijvoorbeeld pijn) of een andere slaapstoornis (bijvoorbeeld een adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaapstoornis). Zo kan insomnia een eigen beloop ontwikkelen met een aantal kenmerken van angst en depressiviteit, terwijl deze kenmerken niet aan de criteria voldoen voor een psychische stoornis. Insomnia kan zich ook manifesteren als een klinisch kenmerk van een meer op de voorgrond staande psychische stoornis. Persisterende insomnia is een risicofactor voor depressiviteit, angst­stoor­nis­sen en de stoornis in het gebruik van alcohol, en is een veelvoorkomend restsymptoom na behandeling van deze stoornissen. Wanneer insomnia comorbide voorkomt met een psychische stoornis, moeten mogelijk beide stoornissen behandeld worden. Vanwege het verschillende beloop van deze stoornissen is het vaak onmogelijk om de exacte aard van de relatie tussen deze klinische entiteiten vast te stellen. Ook kan deze relatie in de loop van de tijd veranderen. In de aanwezigheid van insomnia en een comorbide stoornis is het dan ook niet noodzakelijk om een causaal verband tussen de twee stoornissen aan te wijzen. De classificatie in­som­ni­a­stoor­nis wordt daarom toegekend met een bijkomende specificatie van de comorbide stoornissen. Een gelijktijdige classificatie insomnia mag alleen worden overwogen wanneer de insomnia voldoende ernstig van aard is om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen. In alle andere gevallen is er geen aparte classificatie nodig.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.