Insomniaklachten kunnen op ieder moment in het leven ontstaan, maar de eerste episode komt het meest voor bij jongere volwassenen. Insomnia ontstaat minder frequent in de kindertijd of de adolescentie. Bij vrouwen stijgt de incidentie van insomniaklachten die voor het eerst optreden tijdens het climacterium, en kan de stoornis zelfs blijven bestaan wanneer andere symptomen (bijvoorbeeld opvliegers) zijn verdwenen. Insomnia kan ook op latere leeftijd ontstaan. Dit hangt vaak samen met het ontstaan van andere gezondheidsklachten.
Insomnia kan situationeel, persisterend, of recidiverend zijn. Insomnia met een duidelijk luxerend moment of acute insomnia duurt gewoonlijk een paar dagen of een paar weken en hangt vaak samen met ingrijpende gebeurtenissen of acute veranderingen in bedtijden of omgeving. Wanneer de oorspronkelijke luxerende gebeurtenis verdwijnt, verdwijnt de insomnia meestal ook. Bij een aantal mensen, misschien degenen die vatbaarder zijn voor verstoringen van de slaap, kan insomnia nog lang na de oorspronkelijk uitlokkende gebeurtenis aanhouden, mogelijk vanwege conditionerende factoren en verhoogde arousal. De luxerende factoren voor insomnia kunnen andere factoren zijn dan de onderhoudende factoren. Iemand die vanwege een pijnlijke verwonding bedlegerig is en slecht slaapt, kan bijvoorbeeld daaropvolgend negatieve slaapassociaties ontwikkelen. Geconditioneerde arousal kan in dat geval aanhouden en leiden tot persisterende insomnia. In de context van een acute psychische stressfactor of een psychische stoornis kan zich een soortgelijk beloop ontwikkelen. Insomnia kan bijvoorbeeld tijdens een episode van de depressieve stoornis een aandachtspunt worden, met negatieve conditionering als gevolg, en aanhouden zelfs nadat de depressieve episode voorbij is. Dit laatste komt bij minstens 40 tot 50% van de betrokkenen voor. In sommige gevallen kan insomnia ook een sluipend begin hebben zonder een duidelijk aanwijsbare luxerende factor.
Insomnia kent soms ook een episodisch beloop met terugkerende perioden met slaapstoornissen die samenhangen met het optreden van ingrijpende gebeurtenissen. Bij vervolgonderzoeken van één tot zeven jaar lopen de percentages chroniciteit uiteen van 45 tot 75%. Zelfs wanneer de insomnia chronisch is geworden, is er van nacht tot nacht een variabiliteit in slaappatronen te zien, waarin iemand af en toe een nacht goed slaapt, afgewisseld met een aantal nachten slecht slapen. De kenmerken van insomnia kunnen ook in de loop van de tijd veranderen. Veel mensen met insomnia hebben voorafgaand aan het ontstaan van aanhoudende slaapstoornissen een voorgeschiedenis van ‘licht slapen’ of gemakkelijk gestoord worden in de slaap.
Insomniaklachten komen vaker voor op middelbare leeftijd en bij ouderen. Het type insomniaklachten verandert met de leeftijd, waarbij moeite met inslapen vaker voorkomt bij jongere volwassenen, terwijl moeite met doorslapen frequenter voorkomt bij mensen van middelbare leeftijd en ouderen.
Moeite met inslapen of doorslapen kan ook bij kinderen en adolescenten voorkomen. Van deze groepen zijn echter minder gegevens bekend over prevalentie, risicofactoren en comorbiditeit tijdens deze ontwikkelingsfasen. Slecht slapen in de kindertijd kan het gevolg zijn van conditionerende factoren (bijvoorbeeld een kind dat niet leert inslapen of doorslapen zonder de aanwezigheid van een ouder) of afwezigheid van vaste bedtijden en routines bij het naar bed gaan. Insomnia bij adolescenten wordt vaak uitgelokt of verergerd door onregelmatige bedtijden, vooral door het uitstellen van het naar bed gaan. Zowel bij kinderen als bij adolescenten kunnen psychologische en somatische factoren bijdragen aan insomnia.
De toegenomen prevalentie van insomnia bij oudere volwassenen is deels toe te schrijven aan de hogere incidentie van somatische gezondheidsklachten bij het ouder worden. Veranderingen in slaappatronen die samenhangen met de normale ontwikkelingsprocessen moeten worden onderscheiden van veranderingen die verder gaan dan leeftijdsgebonden veranderingen. Ouderen kunnen een aanzienlijke vertraging in de aanvang van de slaap ervaren of frequent wakker worden, maar daar geen last van hebben en er overdag geen gevolgen van ondervinden. Hoewel polysomnografie bij de standaardbeoordeling van insomnia niet veel toegevoegde waarde heeft, kan het bij de differentiële diagnostiek bij oudere volwassenen wel waardevol zijn, omdat comorbide aandoeningen die samenhangen met de insomnia (bijvoorbeeld een slaapapneusyndroom) vaker voorkomen bij oudere mensen.