‘Korte slapers’ (mensen die weinig slaap nodig hebben)
Korte slapers hebben geen problemen met inslapen of doorslapen en vertonen geen symptomen van slaperigheid overdag (bijvoorbeeld vermoeidheid, concentratiestoornissen, prikkelbaarheid). Wanneer korte slapers proberen langer te slapen door de tijd in bed te verlengen, kunnen zij een op insomnia lijkend slaappatroon ontwikkelen.
Slaapdeprivatie
Heeft als kenmerk onvoldoende gelegenheid of voorwaarden voor slaap en is doorgaans van tijdelijke duur (bijvoorbeeld door beroepsmatige of familieverplichtingen waardoor de betrokkene gedwongen is wakker te blijven). In dit soort situaties wordt de insomniastoornis niet toegekend.
Circadianeritme-slaap-waakstoornissen van het type verlate slaapfase en het type ploegendienst
Iemand met een circadianeritme-slaap-waakstoornis van het type ploegendienst heeft een recente voorgeschiedenis met werken in ploegendienst en als gevolg daarvan een slaapstoornis. Mensen met een circadianeritme-slaap-waakstoornis van het type verlate slaapfase (‘nachtdieren’) maken uitsluitend melding van insomnia bij het inslapen als zij op sociaal geaccepteerde tijden proberen te slapen, maar zij hebben geen moeite met inslapen of doorslapen wanneer hun bedtijden en ontwaaktijden zijn uitgesteld en overeenkomen met hun endogene dag-en-nachtritme. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de problemen bij het inslapen en doorslapen beter kunnen worden verklaard door een circadianeritme-slaap-waakstoornis en uitsluitend in het beloop daarvan optreden.
Rustelozebenen-syndroom
Heeft als kenmerk een drang om de benen te bewegen en daarmee gepaard gaande onprettige sensaties in de benen, waardoor de betrokkene vaak moeilijk in slaap kan komen of niet kan doorslapen. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de problemen bij het inslapen en doorslapen beter kunnen worden verklaard door het rustelozebenensyndroom en uitsluitend in het beloop daarvan optreden.
Ademhalingsgerelateerde slaapstoornissen
Hebben als kenmerk luid snurken, adempauzes tijdens de slaap en overmatige slaperigheid overdag, waarbij ruim 50% van de betrokkenen meldt dat zij insomniaklachten hebben. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de problemen bij het inslapen en doorslapen beter kunnen worden verklaard door een ademhalingsgerelateerde slaapstoornis en uitsluitend in het beloop daarvan optreden.
Narcolepsie
Heeft als kenmerk overmatige slaperigheid overdag, kataplexie, slaapparalyse en slaapgerelateerde hallucinaties, naast insomniaklachten. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de problemen bij het inslapen en doorslapen beter kunnen worden verklaard door narcolepsie en uitsluitend in het beloop daarvan optreden.
Parasomnia’s (non-remslaap-arousalstoornis, nachtmerrie-stoornis, remslaapgedragsstoornis)
Hebben als kenmerk ongewoon gedrag of ongewone gebeurtenissen tijdens de slaap waardoor de betrokkene herhaaldelijk wakker wordt tijdens de slaap en slecht de slaap kan hervatten. Het is echter dit gedrag, meer dan de insomnia zelf, dat in het klinische beeld op de voorgrond staat. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de problemen bij het inslapen en doorslapen beter kunnen worden verklaard door een parasomnia en uitsluitend in het beloop daarvan optreden.
Insomnia bij een andere psychische stoornis of een somatische aandoening
De classificatie insomniastoornis wordt niet alleen toegekend als deze optreedt als een opzichzelfstaande aandoening, maar ook in het geval van comorbiditeit bij een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld depressieve stoornis) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld pijn). Een specificatie wordt toegekend om aan te duiden of er sprake is van een niet-slaapstoornisgerelateerde psychische comorbiditeit of een somatische comorbiditeit.
Slaapstoornis door een middel/medicatie, insomniatype
Is het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel of medicatie. De classificatie insomniastoornis wordt niet toegekend wanneer de symptomen zijn toe te schrijven aan de directe fysiologische effecten van een middel (of medicatie).