Insomnia wordt vaak in verband gebracht met fysiologische en cognitieve arousal en met geconditioneerde factoren die de slaap verstoren. Wanneer de betrokkene gepreoccupeerd is met slaap en gespannen is door het onvermogen om te slapen, kan hij of zij in een vicieuze cirkel terechtkomen: hoe harder de betrokkene zich inspant om te slapen, des te groter de frustratie wordt, die vervolgens weer de slaap verstoort. Zo kunnen het overmatig aandacht besteden aan en pogingen doen om te slapen, die de normale inslaapmechanismen overnemen, bijdragen aan het ontwikkelen van insomnia. Mensen bij wie de insomnia aanhoudt, kunnen tijdens het beloop van de stoornis verkeerde slaapgewoonten ontwikkelen (bijvoorbeeld de tijd in bed verlengen, sterk wisselende bedtijden hebben, dutjes doen) en kunnen verkeerde cognities ontwikkelen (zoals angst voor slapeloosheid, piekeren over de beperkingen in het functioneren overdag, veel op de klok kijken). Wanneer de betrokkene zich bezighoudt met dit type activiteiten in een omgeving waarin hij of zij al vaker een slapeloze nacht heeft doorgebracht, draagt dit verder bij aan de geconditioneerde arousal, en houden de slaapstoornissen aan. Omgekeerd geldt dat de betrokkene gemakkelijker in slaap valt wanneer hij of zij zich niet zo hard inspant om in slaap te vallen. Sommige mensen melden ook dat zij beter slapen wanneer zij niet in hun eigen slaapkamer zijn en niet hun slaapgewoonten volgen.
Insomnia kan gepaard gaan met een aantal verschillende klachten en verschijnselen overdag, zoals vermoeidheid, minder energie en verstoringen van de stemming. Mensen met een insomniastoornis kunnen moe of uitgeput lijken, of juist overprikkeld en opgewonden. Er kan een verhoogde incidentie van stressorgerelateerde psychofysiologische symptomen zijn (bijvoorbeeld spanningshoofdpijn, overmatige spierspanning of spierpijn, maag-darmklachten), maar bij lichamelijk onderzoek zijn er geen consistente of kenmerkende afwijkingen te zien. Klachten van angst of depressiviteit die niet voldoen aan de criteria voor een specifieke psychische stoornis, kunnen wel aanwezig zijn, evenals een overdreven focus op de verwachte effecten van een tekort aan slaap op het functioneren overdag.
Mensen met insomnia kunnen bij het zelf invullen van psychologische of persoonlijkheidsvragenlijsten hoger scoren op profielen die wijzen op lichte depressiviteit en angst, een zorgelijke cognitieve stijl, een op de emotie gerichte en internaliserende manier van conflictoplossing, en een somatische focus. Patronen van neurocognitieve beperkingen bij mensen met een insomniastoornis zijn inconsistent, maar er kunnen beperkingen zijn in het uitvoeren van taken met een hogere complexiteit en in taken waarbij de prestatiestrategie geregeld moet worden gewijzigd. Voor mensen met insomnia kost het vaak meer moeite om de cognitieve prestatie vol te houden.