Het voornaamste kenmerk van de verzamelstoornis is een persisterende moeite om bezittingen weg te doen of er afstand van te nemen, ongeacht de werkelijke waarde ervan (criterium A). De term ‘persisterende’ geeft een langdurig aanwezige moeite weer en betreft niet de meer kortstondige levensomstandigheden die tot een overmaat aan rommel kunnen leiden, zoals het krijgen van een erfenis. De moeite die iemand ervaart om bezittingen weg te doen, zoals vermeld in criterium A, betreft alle vormen van wegdoen, inclusief weggooien, verkopen, weggeven of aanbieden voor recycling. De voornaamste redenen die hiervoor worden gegeven zijn het nut of de esthetische waarde die de voorwerpen volgens de betrokkene hebben, of de sterke sentimentele gehechtheid aan de bezittingen. Sommige betrokkenen voelen zich verantwoordelijk voor de bestemming die de bezittingen moeten krijgen, en ze doen vaak hun uiterste best om verspilling te voorkomen. Ook komt het vaak voor dat iemand bang is om belangrijke informatie te verliezen. Kranten, tijdschriften, oude kleding, tassen, boeken, post en paperassen worden het meest verzameld, maar vrijwel ieder voorwerp kan worden bewaard. Het betreft niet alleen bezittingen die de meeste anderen als nutteloos of van geringe waarde achten. Veel betrokkenen verwerven en bewaren ook grote hoeveelheden waardevolle dingen, en deze worden vaak tussen minder waardevolle zaken in stapels aangetroffen.
Mensen met een verzamelstoornis bewaren doelbewust bezittingen en lijden eronder (ze ervaren bijvoorbeeld angst, frustratie, spijt, verdriet, schuldgevoel) wanneer zij het vooruitzicht hebben hier afstand van te moeten doen (criterium B). Dit criterium legt de nadruk op het opzettelijke bewaren van bezittingen, wat de verzamelstoornis onderscheidt van andere vormen van psychopathologie die worden gekenmerkt door het passief verzamelen van voorwerpen of door het ontbreken van lijdensdruk wanneer de bezittingen worden verwijderd.
De betrokkenen verzamelen grote hoeveelheden spullen die in de weg staan en die voor zo veel rommel zorgen dat het eigenlijke gebruik van de woonruimte nauwelijks mogelijk is (criterium C). De betrokkene kan dan bijvoorbeeld niet meer koken in de keuken, slapen in zijn of haar bed, of in een stoel zitten. Als het al mogelijk is de ruimte te benutten, lukt dit alleen met grote moeite. Rommel wordt omschreven als een grote verzameling voorwerpen die normaal niets of weinig met elkaar te maken hebben, en die op een ongeorganiseerde manier op één plek zijn verzameld die voor andere doeleinden is bedoeld (zoals een tafelblad, een vloer, de gang). In criterium C wordt nadruk gelegd op de woonruimtes in huis, in plaats van op de meer perifere gebieden zoals de garage, de zolder of de kelder, die ook rommelig kunnen zijn bij mensen die geen verzamelstoornis hebben. Mensen met een verzamelstoornis hebben echter vaak zo veel bezittingen dat deze uit de woonruimtes puilen en daarom opgeslagen worden in andere ruimtes, zoals vervoersmiddelen, tuinen, werkruimtes en de huizen van vrienden en familie, en het gebruik van deze ruimtes beperken. In sommige gevallen worden de woonruimtes slechts opgeruimd door de tussenkomst van derden (bijvoorbeeld een familielid, een schoonmaker of een instantie). Mensen die zijn gedwongen om hun huizen op te ruimen, kunnen nog steeds een klachtenbeeld vertonen dat voldoet aan de criteria voor een verzamelstoornis, omdat de rommel alleen ontbreekt omdat derden hebben ingegrepen. Een verzamelstoornis verschilt van normaal verzamelgedrag, dat georganiseerd en selectief is, hoewel de hoeveelheid bezittingen soms vergelijkbaar is met de hoeveelheid die door iemand met een verzamelstoornis wordt vergaard. Normaal verzamelen leidt niet tot de kenmerken die typerend zijn voor een verzamelstoornis, namelijk rommel maken en lijdensdruk of beperkingen in het functioneren ervaren.
De symptomen (moeite met spullen wegdoen en/of rommel maken) moeten significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen, waaronder de zorg voor een veilige leefomgeving voor zichzelf en anderen (criterium D). In sommige gevallen, vooral wanneer er een gering ziektebesef is, zegt de betrokkene niet dat hij of zij eronder lijdt, en kunnen de beperkingen alleen voor de mensen om de betrokkene heen duidelijk zijn. Als er pogingen worden ondernomen door derden om de bezittingen weg te doen, veroorzaakt dit echter een hoge mate van lijdensdruk.