Dwangmatig verzamelen begint op jonge leeftijd en duurt voort tot in de latere levensfasen. In de leeftijd van 15–19 jaar kunnen zich de eerste verschijnselen voordoen; deze kunnen het dagelijks functioneren van de betrokkene gaan hinderen rond de leeftijd van 25 jaar en tot significante beperkingen leiden rond de leeftijd van 35 jaar. De deelnemers in klinische studies zijn meestal vijftigers. De ernst van het verzamelen neemt dus tijdens iedere levensdecade toe, vooral na de leeftijd van 30 jaar. Wanneer de verschijnselen eenmaal beginnen, kent het verzamelen meestal een chronisch beloop; een aantal betrokkenen rapporteert een wisselend beloop.
Pathologisch verzamelen bij kinderen is gemakkelijk te onderscheiden van het adaptieve spaar- en verzamelgedrag dat past bij de ontwikkelingsfase. Omdat kinderen en adolescenten doorgaans geen controle hebben over hun leefomgeving en opruimgedrag, moet bij het toekennen van de classificatie verzamelstoornis rekening worden gehouden met de mogelijke tussenkomst van derden (ouders, die de ruimtes leefbaar houden en dus de mate van hinder in het dagelijks leven doen afnemen).